Geschrapt uit het stadsleven

Bordewijk, de beeldhouwer onder de Nederlandse schrijvers, is ook de schrijver met de meeste stedebouw en architectuur in zijn werk. Daarom dacht ik aan hem, toen ik het over het verschijnsel van de uitstervende Amsterdamse steeg wilde hebben.

Ik wou weten wat een steeg is. Ik wilde stegen gaan tellen en inspecteren. De maat vaststellen van de modale steeg. Hoeveel decimeter verschilt de Wijde Heisteeg van de Heisteeg? Ik wilde mij storten op kwesties als hoe het kan dat de Romeinsarmsteeg veel breder is dan - om maar een voorbeeld te noemen - de Kromme Palmstraat? Ik wilde, kortom, een kleine fenomenologie van de steeg schrijven.

En dat bij wijze van opmaat tot een treurzang. Ik wilde erop uitkomen dat steeds meer stegen in stilte verdwijnen en dat het blijkbaar niemand kan schelen. Al die vervloekte nieuwe hotels, met het beslag dat zij op de binnenstad leggen: hop, weer een huizenwandje weg uit het centrum. En wat je ook vaak ziet gebeuren: dat nijvere en smaakvolle huizenrestaurateurs een steeg transformeren tot een soort van tuin, om die vervolgens af te sluiten met ijzeren tralies.

In De wingerdrank (1937) staat het schitterende 'Keizerrijk'. Bordewijk schrijft zo compact dat er met even veel recht van een verhaal als van een ingekookte novelle gesproken zou kunnen worden. Eerlijk gezegd was het lang geleden dat ik Bordewijk las. Ik herinnerde mij het verhaal vanwege de titel. Keizerrijk is de naam van een steeg tussen Spuistraat en Nieuwe Zijds Voorburgwal.

Nu heb ik het dus herlezen en zet ik het eigen steegwerk even opzij terwille van Bordewijk. Want wat een prachtige schrijver! Niemand die in de buurt komt van dat bizarre en manieristische maar doeltreffende proza. Eerder is hij de evenknie van beeldende kunstenaars als Pyke Koch en Ferdinand Erfmann. Of George Grosz; zij het dan een Grosz die niet links is.

In 'Keizerrijk' vindt een initiatie plaats in het loerende verval. De tienjarige hoofdpersoon Harmen, wonend op de Singel, wordt door een nieuw dienstmeisje meegenomen:

“D'r is op de hele wereld geen stad met zoveel stegen als Amsterdam. D'r zijn d'r 'n massa vreselijk gevaarlijk. Daar staan dan agenten voor. Ik ben haast in al de stegen van de stad geweest. Jij?”

Harmen niet. “Stegen, stegen, hij had ze nooit ontwaard, hij was er altijd zomaar voorbijgelopen, veilig tussen zijn ouders, onwetend van het zijwaarts kwaad.” Van Raamskooi, Bijbelsgang, Hol, Collegat, Breemertuin, Vuil Weespad, Schoon Weespad had hij nooit gehoord.

Op door dienstmeisje en jongen goed voor de ouders gecamoufleerde tochten zwenken zij af in de 'kokers van nacht', de Sloterdijksteeg om mee te beginnen.

“De regen stortte recht omlaag op de paraplu die zich precies in de steeg spande. Hij zag alleen rechts, hij had geen ogen genoeg voor de vreselijke huisjes, langs hem schaduwend met vuile gordijnen of geen gordijnen, een enkel gelaat, niemand buiten.” Het meisje, gearmd met het jongetje, begint te zingen, bang als ook zij is. Ze blijkt er zelf nog nooit geweest te zijn en weet niet dat de steeg doodloopt.

“Ze stonden bij het laatste huisje in de muizenval. Het laatste huisje was het smalste en verschrikkelijkste van al. In zijn angst zag hij het nummer naast de deur: 249. Een ruit zonder gordijn, dadelijk vijf, zes kinderen er voor, hun kadavergezichten plat achter de ruit het enige wit in de duisternis.

“Heidaar! plofte een bas van boven op de paraplu.

“Een rotsblok van een stem.

“Toen was er geen houden aan. Losgetrokken van elkaar renden ze terug, zij voorop, langs een paar matronen gekruist gearmd in de kleine deuren. De blanke reddingsgordel ving aan ver te glimmen. Ze plasten door de nacht naar de heldere Burgwal.”

Want dat is de reddingsgordel die daar zo glimt: de nog ongedempte Nieuwe Zijds Voorburgwal. Het verhaal speelt zich dus af (dat heb ik even nageslagen) voor 1884; dat overigens ook het geboortejaar van Bordewijk was.

Bezocht worden door het tweetal het Blauw-Erf, de Slijkstraat, het Rusland, het Gebed zonder End, het Boltensgrachtje, de Roode Leeuwengang, het Hol, het Keizerrijk, en met elkaar vormen die griezelexcursies een complementaire educatie voor een goed afgeschermd kind van de bourgeoisie, wonend op de Singel.

De volwassen geworden hoofdpersoon loopt in de laatste twee bladzijden door de stad van na de oorlog, waar het “daverde van nieuwheid en zelfbewustzijn, de architectuur waarop vreemde insecten afkwamen omdat de stad geurde van een bouwzoet dat zij wilden vergaren en verder uitdragen (-).

“Ja, het Keizerrijk was er nog, een ander, onbewoonbaar verklaard, een opgeheven Keizerrijk, geschrapt van de lijst van het stadsleven. Doelloos, dwars lag het scheve steegje naast de nieuwe tijd. (-)

“Staande voor de woonwond die had geëtterd en was verdroogd zag hij de ondergang van de fiere stad welke oud wist te behouden en nieuw te scheppen, en één stad te wezen met een karakter, een hoofdstad. Niets was voor de eeuwigheid geschapen, ook dit niet.”

Ik heb te veel geciteerd. Ik weet dat dat niet mag. En dan heb ik nog lang geen recht gedaan aan de rijkdom en de strekking van 'Keizerrijk'. Ik heb me laten meesleuren door bewondering, en Bordewijk willen eren als de schrijver van een in memoriam van een paar stegen. Over twee weken treed ik aan als fenomenoloog van het proletariaat van de architectuur; de steeg dus.

    • Nicolaas Matsier