Feministe trouw aan mannelijk geloof

Tien jaar geleden publiceerde het feministische maandblad Opzij een door Simone Koudijs en Anneke Visser samengesteld overzicht van honderd vrouwen op invloedrijke posten binnen en buiten de officiële machtscircuits. Op deze zorgvuldig bewaarde erelijst stond op de drieënvijftigste plaats - tussen Annemiek Hagens (directeur van de federatie cultureel jongerenpaspoort) en Ien van den Heuvel (lid van het Europees Parlement) - Catharina Halkes. Een feministisch theologe.

Deze internationaal nog altijd vermaarde professor Halkes, die slechts heel kort (1985-1987) hoogleraar 'feminisme en christendom' in Nijmegen was, wordt door het katholieke opinieweekblad de Bazuin nog steeds gezien als de aartsmoeder van de feministische theologie in Nederland.

Zo'n aartsmoeder is Halkes inderdaad. En niet alleen voor haar geestelijke dochters. Ook heel wat mannen - al dan niet theoloog - hebben door haar ontdekt hoe mannelijk-eenzijdig de christelijke theologiebeoefening bijna altijd was. Catharina Halkes was in Nederland vrijwel de eerste theoloog die zich bezighield met het vraagstuk of en hoe vrouwen nog enige moed kunnen putten uit een religie die vrijwel uitsluitend mannelijke trekken vertoont.

Zo'n tien jaar geleden werd door sommige enigszins verstarde theologische vakbroeders nog om Dr. Halkes geginnegapt. Kort geleden werd ter gelegenheid van haar vijfenzeventigste verjaardag in het vormingscentrum Kerk en Wereld in Driebergen een internationaal vrouwensymposium gehouden. Twee dagen lang ging het over de generaties in de feministische theologie en één dag, die ook voor mannen toegankelijk was, over de jarige oud-hoogleraar.

Mevrouw Halkes is een eerbiedwaardige oude dame geworden. Door lichaamsongemakken leidt zij een tamelijk besloten leven en heeft zij zich gedwongen teruggetrokken uit het levendige en actieve circuit van feminisme en theologie-beoefening. Desondanks verscheen nog het nieuwe boek Oorsprong en einder (een bundel van zeven eerder gepubliceerde artikelen en voordrachten) van haar hand.

Veel interessanter dan deze bundel is het boek God opnieuw gedacht met daarin drieëntwintig theologische essays ter gelegenheid van Halkes' vijfenzeventigste verjaardag. Onder de essays is niet alleen de biografie van Halkes door Annelies van Heijst heel boeiend, maar geven ook de bijdragen van de Groningse theoloog prof. Riet Bons-Storm en haar Utrechtse collega Anton Houtepen een prima indruk van de betekenis van wat feministische theologie wordt genoemd en van de rol die Halkes op dat gebied heeft gespeeld.

Opvallend is dat Halkes haar kerk altijd trouw is gebleven. Zij is er nooit uitgestapt, omdat ze bleef geloven dat de katholieke kerk eens “een werkelijke geloofsgemeenschap van mannen en vrouwen zal worden die in onbevangenheid met elkaar communiceren, geestelijk, lichamelijk, zonder dominantie van mannen en onzekerheid van vrouwen”.

Het heeft Halkes droevig gestemd, schrijft Bons-Storm, dat zoveel feministische vrouwen, onder wie feministische theologes die voor een groot deel haar geestelijke dochters of jongere zusters zijn, de kerk wel de rug hebben toegekeerd. Bons-Storm vraagt zich in dit verband af of in het christendom de man niet zo fundamenteel centraal staat dat daarin een bevrijding van vrouwen al bij voorbaat voor onmogelijk moet worden gehouden. Immers heel de christelijke traditie is puur mannelijk, omdat er wordt uitgegaan van een 'selfcreated male god that has no mother' en omdat wordt verondersteld dat deze god zich gedraagt als 'een almachtige vader'. Volgens Bons-Storm is zo'n man-vadergodsbeeld voor vrouwen onaanvaardbaar, omdat vrouwen daarin geen enkel herkenningspunt kunnen vinden. Misschien hebben zij meer aan een 'Zij die er is', een 'Moeder-van-grote-dochters' of aan een - zoals de womanistische theologe Doreen Hazel bepleit - een 'warme, zelfstandige, zwarte Mammy'.