Een rijk land gaat met vakantie, al is het op de pof

In talloze buitenlanden worden de komende weken 13 miljard Nederlandse guldens uitgegeven. Nederland is een welvarend land, maar het teert te veel op de zak van toekomstige generaties, vindt .

De chartervluchten zijn volgeboekt, de caravans rijden in lange linten naar het zuiden, de zeil- en motorjachten varen er lustig op los, de files op het Nederlandse wegennet verplaatsen zich naar de Europese knelpunten op weg naar de zon. De grote uittocht voor de vakantie is begonnen. In Nederland schakelt de bedrijvigheid terug, de vijf vakantieweken van de CAO worden omgezet in avontuur en cultuur, spanning en ontspanning in verre landen.

Nederland is een buitengewoon welvarend land. Het CBS schat de jaarlijkse consumptieve vakantiebestedingen in het buitenland op zo'n dertien miljard gulden. Volgens cijfers van de De Nederlandsche Bank werd vorig jaar aan reisverkeer (vakantie en zakelijk) bijna zeventien miljard gulden in het buitenland uitgegeven, waar 8,6 miljard gulden aan ontvangsten van buitenlanders tegenover stond. De geldstrrom van de reisbalans is dus ruim acht miljard gulden negatief.

Die uitstroom van geld voor reizen en vakantie in het buitenland kan moeiteloos worden opgebracht omdat Nederland een reusachtig overschot heeft op de betalingsbalans, het saldo van alle inkomsten en uitgaven met het buitenland. De nationale economie verdient meer aan het buitenland dan het uitgeeft, dit jaar zo'n vijfentwintig miljard gulden. Voor een vermindering van dit overschot moeten Nederlanders nog veel meer met vakantie naar het buitenland gaan, meer buitenlandse produkten kopen, meer in eigen land investeren of meer ontwikkelingshulp geven.

Geld is geen probleem in Nederland. De gulden is een van de hardste munten ter wereld, de koppeling met de D-mark is ijzersterk en een enkele keer kan De Nederlandsche Bank zelfs de rente verlagen zonder dat de Duitse Bundesbank daartoe het initiatief heeft genomen.

Dit land is zó rijk, dat politici kunnen besluiten om een goederenspoorlijn aan te leggen waarvan het rendement onzeker is en die achthonderd miljoen gulden duurder te maken met milieuvoorzieningen. Half Nederland is veranderd in een bouwput. De nationale welvaart wordt opgebracht door het aardgas, de haven, de land- en tuinbouw, de banken, het vervoer, de zakelijke en financiële dienstverlening, de industrie, de gedoogde schemereconomie van de drugs. Dat alles onderhoudt een omvangrijke overheid en een nog omvangrijker stelsel van sociale zekerheid. Op iedere tien werkenden staan ruim acht mensen die inactief zijn maar toch van een bestaansminimum of meer zijn verzekerd. Hier wordt wit, grijs en zwart verdiend of van een uitkering genoten.

Het pensioenfonds voor ambtenaren, het ABP, behoort tot de grootsten ter wereld. Het beschikt over een belegd vermogen dat de Nederlandse staatskas vrijwaart van toekomstige problemen bij de financiering van pensioenen, zoals in andere Europese landen dreigen. Vergeleken met China, de gevreesde opkomende draak in Azië, is het inkomen per hoofd van de bevolking in Nederland dertig keer zo hoog. Gemeten naar dit criterium behoren Nederlanders tot de top-tien van de wereld.

Het bedrijfsleven boekt over het algemeen - op een paar brekebenen met hoge publiciteitswaarde na - hoge winsten en de investeringen stijgen dit jaar spectaculair. De vakbonden maken vorderingen met hun streven naar een werkweek van zesendertig uur. Dat de werkloosheid desondanks hoog blijft, is eerder een teken van welvaart dan van armoede. De bruto loonkosten zijn hoog, maar met de concurrentiepositie is ogenschijnlijk niets mis: Nederland boekt record na record op de handelsbalans.

En toch leeft het land op de pof. De rijksoverheid leent jaarlijks netto twintig miljard gulden om de tekorten aan te vullen die hardnekkig blijven bestaan ondanks de hoge belastinginkomens. Het paarse kabinet bezuinigt weliswaar, maar de staatsschuld, de nationale hyptheek die wordt doorgeschoven naar de volgende generatie, neemt niet af. Dit is een land van binnenvetters, klagers, renteniers en belastingbetalers. Met soms verkeerde prioriteiten en altijd ruzies over de verdeling. Tegenover de beschikbaarheid van geld staan een gebrek aan innovatief ondernemerschap en een onevenredige nadruk op sociale zekerheid. De zomerse vaststelling dat de welvaart nog nooit zo groot is geweest, moet niet tot zelfgenoegzaamheid leiden. Omringende landen doen het beter wat betreft de particulier besteedbare inkomens die burgers netto met hun werk overhouden. In Nederland ligt nog altijd een grote nadruk op verdeling ten koste van schepping van welvaart. Dat heeft risico's, want verder weg zijn ambitieuze kapers op de kust en rijkdom is gemakkelijker verspeeld dan verdiend.

    • Roel Janssen