De western als het leesplankje van de cinema; Retrospectief van regisseur Budd Boetticher in Nederlands Filmmuseum

Budd Boetticher retrospectief in het Filmmuseum, Amsterdam

Donderdag 20 juli: The bullfighter and the lady en Seminole.

Vrijdag 21 juli: The killer is loose en The magnificent matador.

Zaterdag 22 juli: The missing juror.

Zondag 23 juli: The tall T en Buchanan rides alone.

Maandag 24 juli: Ride lonesome en Comanche station.

Dinsdag 25 juli: The rise and fall of Legs Diamond en Arruza.

Woensdag 26 juli: A time for dying en My kingdom for...

Eens in de zoveel tijd wordt de western plechtig doodverklaard. Meestal als er net een slecht exemplaar is afgeleverd. Toen The quick and the dead onlangs uitkwam (met Sharon Stone) was weer even zo'n dood punt bereikt. Het is dus maar goed dat het Amsterdams Filmmuseum vanaf donderdag een reeks films vertoont, die laat zien hoe het ook weer moest. De vier zogenoemde 'Ranown'-films in het retrospectief van de Amerikaanse regisseur Budd Boetticher geven de plaats van het genre in de filmgeschiedenis aan: de western is het leesplankje van de cinema. “In het begin van de film rijdt de held het beeld binnen en aan het eind rijdt hij er weer uit.” In een interview voor de Belgische televisie, nog niet zo lang geleden, keerde de oude Boetticher zich tegen alle psychologische duidingen die in de loop der jaren aan zijn zwijgzame films zijn gegeven. In het Wilde Westen, zei hij, waren de mensen eenvoudig. “Ze gingen niet naar een psychiater, die was nog niet uitgevonden.” En hij vertelde hoe simpel het in elkaar steekt: “Hun vrouw is vermoord - daar begint de film mee. En ze zullen de man krijgen, die dat heeft gedaan - dat is de hele film.”

Wie niet gelooft dat film zó eenvoudig kan zijn, moet het wel toegeven na het zien van vier van de zeven westerns die Boetticher maakte tussen 1956 en 1960. Het zijn geen meesterwerken, zoals Stagecoach van John Ford, Shane van George Stevens of Unforgiven van Clint Eastwood, maar ze zijn puur film en ontstijgen daardoor de betrekkelijke nietszeggendheid van hun inhoud.

De scenario's van alle zeven films werden geschreven door Burt Kennedy, die voor elke nieuw script het oude er weer even bij lijkt te hebben gepakt, de gelijkenis is in elk geval treffend. In vrijwel elke film speelt Randolph Scott, een tamelijk stugge en toen al wat oudere acteur, de eenzame en woordarme held die een vrouw redt, omdat er in het verleden iets akeligs is gebeurd met zijn eigen vrouw. Maar de vrouw is nu eenmaal van ondergeschikt belang in de western en Scott onderhoudt zich dan ook voornamelijk met de mannen in zijn gezelschap. En dat zijn steevast boeven of halve boeven, die onder de indruk zijn of raken van Scott maar die ten slotte toch tegen hem in het krijt treden - met de enige motivering die de westerner kent: “There are some things a man just can't ride around.”

Het verhaal is dus niet het opmerkelijkste van de films. Wel de karige manier van de handeling in beeld brengen. Onder druk van het typisch-Hollywoodse tijdschema (Boetticher kreeg achttien dagen de tijd om deze films te draaien) ontwikkelde hij een efficiënte stijl die de bezienswaardigheid ten goede komt. De handeling werd meestal in totalen opgenomen, wat het drama voortdurend in het kader plaatst van de woeste rotslandschappen, bossen en kale vlakten waar het zich afspeelt. De natuur en niet te vergeten de paarden en muilezels zijn altijd meer dan decorstukken, altijd wezenlijk onderdeel van de dynamiek van de film.

De enige keer dat de camera bij de acteurs komt, is om te horen wat ze zeggen, als het verhaal een duwtje nodig heeft - in het ritme van de tussentitels uit de stomme-filmperiode, En dan wordt nog het meest gesproken door de tegenspelers van Scott. Naast de ondoorgrondelijke held met het slot op de mond hadden de boeven dankbare rollen. Voor jonge acteurs als Lee Marvin en James Coburn waren de Ranown-films (genoemd naar de produktiemaatschappij) een ideale springplank voor hun carrière.

Naast deze vier Ranown-films vertoont het Filmmuseum nog negen andere films van de regisseur. Daaronder de eerste film die hij zelf als een echte Boetticher beschouwt, The bullfighter and the lady (1951), een autobiografisch verhaal over een Amerikaan die in Mexico verliefd wordt op de kunst van het stierenvechten.

Jaren later kwam Boetticher op dat thema terug, ditmaal niet gehinderd door de zoetige romantiek die zijn debuut zo ouderwets maakt. Arruza is een portret van het leven van de de oudere Mexicaanse matador Carlos Arruza. Zijn weergaloze carrière schijnt hij te hebben afgesloten als de film begint, maar het bloed begint te kriebelen en hij betreedt opnieuw de arena, nu als rejoneador, een stierenvechter te paard.

Net als de western-helden, net als Boetticher zelf, kon Arruza de verleiding van de dood niet weerstaan en moest hem tarten. Boetticher heeft zeven jaar aan de film verdaan, terwijl hij in de tussentijd meer en meer uit de gratie raakte in Hollywood. Het portret is er wel naar. Op dezelfde wijze als in zijn westerns bouwt Boetticher de spanning op en toont hij de duels, die nu alleen niet tussen twee mannen gaan. De finale van Arruza is het laatste gevecht van de matador, een kwartierlang zonder enig commentaar de dodendans van mens en dier. Het zijn de mooiste vijftien minuten van het retrospectief.

    • Bas Blokker