Nederlandse Boeroes gingen boeren in Suriname; Komst van Nederlandse boerenkolonisatie na 150 jaar voor het eerst officieel herdacht

Drie hervormde dominees vatten vorige eeuw het plan op een boerenkolonie te vestigen in Suriname. Het werd een mislukking, maar hun nazaten - de Boeroes - leven nog steeds in Suriname, waar hun komst onlangs voor het eerst officieel is herdacht.

PARAMARIBO, 18 JULI. Het leven was hard voor de Boeroes. Elke dag op het veld werken in de felle zon en in de regentijd soms dagen achter elkaar in het water. “Een van hen vertelde me eens hoe hij twee weken achtereen tot aan de heupen in het water had gestaan om de afwatering in orde te maken”, zegt de Surinaamse historicus André Loor. Loor behoort zelf ook tot de Boeroes, de witte Surinamers wier voorouders 150 jaar geleden op 20 juni uit Nederland in Suriname aankwamen. 'Boeroe' is een surinamisering van 'boer'.

Het kolonisatieplan om tweehonderd boerengezinnen naar Suriname te laten vertrekken was bedacht door drie predikanten - Betting, Copijn, en Van den Brandhof - en goedgekeurd door de Nederlandse regering. Suriname was destijd een plantage-kolonie met een slaveneconomie, waar voornamelijk suiker, koffie en cacao werden geproduceerd. Een vrije landbouwbevolking was er niet.

Op 10 mei 1845 vertrok de eerste groep uit Nederland en kwam na een voorspoedige reis van dertig dagen voor de kust van Suriname aan. Met de voorspoed was het vanaf dat moment afgelopen. Het schip dat hen verder moest brengen naar de plaats Voorzorg aan de Saramacca rivier was er niet. Gouverneur Burchard Elias bleek het schip weggezonden te hebben met een andere opdracht.

Toen de groep uiteindelijk arriveerde, bleek dat er zo goed als niets gedaan was aan de voorbereiding van Voorzorg. Hun was toegezegd dat zij een huis en een gedeeltelijk al in cultuur gebracht stuk land zouden krijgen, wat vee plus gereedschappen. Maar de 370 kolonisten troffen slechts twaalf pina (palmbladeren) hutten aan, geen stuk ontgonnen land en een defecte sluis. Velen wilden direct terug, maar Copijn haalde hen over de moed niet op te geven. Per hut werden twee gezinnen ondergebracht en de overigen werden aan de overkant van de rivier in het gehucht Groningen gehuisvest in een verlaten, smerige kazerne. De derde week na aankomst brak een epidemie uit die in vijf maanden tijd de helft van de groep het leven kostte. Elke dag was er een begrafenis. Kinderen vroegen buren om te helpen hun ouders te begraven. Uiteindelijk werd Voorzorg verlaten en verhuisden de overlevenden naar Groningen.

De eerste oogst mislukte door aanhoudende droogte. Maar de tweede oogst was overvloedig. Toen werden ze geconfronteerd met een nieuw, onoverkomelijk probleem. De produkten moesten worden afgezet in Paramaribo, maar die plaats was alleen te bereiken met een bootreis van om en nabij tien uren. De autoriteiten begonnen na deze mislukking te praten over het helemaal opgeven van de kolonisatie en het terugvoeren van de kolonisten naar Nederland. Maar merkwaardig genoeg wilden de boeren hier niets van weten.

In 1849 trok een deel van de kolonisten naar een gebied ten westen van Paramaribo om daar een eigen boerenbedrijf te beginnen. Ze hadden succes en anderen volgden hun voorbeeld. In 1853 werd de kolonisatie bij Voorzorg officieel opgeheven. Het experiment had 600.000 gulden gekost, waarvan meer dan de helft was uitgegeven aan bestuurskosten, aldus André Loor. Hij vertelt: “De boeren waren niet langer deel van een groep. Ze werkten hard in weer en wind en zagen hun bedrijven groeien. En wat belangrijker was, ze bleven er gezond bij. In 1855 schreven de boeren een brief aan de Staten Generaal waarin ze al konden schrijven dat de Nederlander in Suriname werken kan en zijn brood verdienen, met eigen handenarbeid.”

Op hun boerderijen hielden de boeren voornamelijk melk- en slachtkoeien en kweekten groente en bananen. Zij werden de melkleveranciers van Suriname, een monopoliepositie, die zij pas in de jaren dertig van deze eeuw moesten delen met voorspoedige keuterboertjes uit een andere groep immigranten, de Hindoestanen. Loor: “In de eerste decennia leefden de boeren vrij geïsoleerd aan de rand van Paramaribo. Pas in 1907 kwam er een openbare school. De boeren richtten in die tijd ook een coöperatie op, 'Ons Belang' genaamd, die in Paramaribo een winkeltje opzette onder deze naam.” In de volksmond is 'ons belang' de aanduiding geworden voor een winkeltje in landbouwprodukten.

In de crisisjaren na 1929 verlieten sommige boeren hun bedrijf om in andere beroepen en bedrijven een bestaan te zoeken. Ze werden ambtenaar, onderwijzer, politie-agent, militair. Ook gingen steeds meer boerenkinderen naar Paramaribo voor een voortgezette schoolopleiding.'' Daardoor kwamen de boeren steeds meer in contact met de andere Surinamers. Deze ontwikkeling werd nog bevorderd door de uitbreiding van Paramaribo in westelijke richting, waar de boerderijen lagen.

Vandaag zijn er nog steeds raszuivere Boeroes, vertelt Loor. Sommigen hebben andere bedrijven gesticht. Zo'n bedrijf is Gumair, de vliegonderneming van de gebroeders Gummels, die onder meer zorgt voor de inzaai, bemesting en bespuiting per vliegtuig van de rijstarealen in Nickerie en Saramacca, en verder de slagerijen van de gebroeders Stolk en een van Paramaribo's grote zelfbedieningswinkels van de gebroeders Van Dijk.

De herdenking van 150 jaar Nederlandse boerenkolonisatie is gevierd met feestelijkheden en herdacht met een kerkdienst in de Centrumkerk van de Hervormde Gemeente, Surinames oudste kerkgebouw, dat uit de zeventiende eeuw dateert. De regering proclameerde voor dit jubileumjaar 20 juni tot een nationale vrije dag. De Boeroe gemeenschap heeft van haar kant een bijzondere geste gedaan aan de samenleving. Te Groningen, waar het allemaal begonnen is (Voorzorg is weer in wildernis opgegaan) heeft ze met aanwijzigingen van de Universiteit van Leiden een laboratorium gebouwd en ingericht voor de Regionale Gezondheids Dienst van het district Saramacca, die voor de bemanning zorgt. Het geschenk heeft een waarde van ongeveer veertien miljoen Surinaamse guldens.