Landschappelijke oudheden horen op de topografische kaart

Het Nederlandse landschap is rijk aan archeologische bijzonderheden: grafheuvels, terpen, akkerwallen, marskampen, etcetera. Wat is het jammer dat die oudheden maar zeer gebrekkig staan ingetekend op de kaarten van de Topografische Dienst, vindt Michiel Hegener.

Nederland is een geschiedenisboek. Op vrijwel iedere hectare hebben ooit mensen geleefd en gewerkt, soms duizenden jaren achter elkaar. Veel van de sporen die ze al doende achterlieten zijn nog steeds te zien: soms overduidelijk, vaak vaag en alleen als je weet waar je kijken moet en wat je verwachten kan. Grafheuvels, terpen, akkerwallen, marskampen, schansen, linies, landweren, dijken, kasteelterreinen, karresporen, en nog veel meer: tienduizenden subtiele terreinwelvingen die samen het verhaal vertellen van onze bewoningsgeschiedenis.

Om dat alles bekend en bemind te maken, bestaat geen beter middel dan de topografische kaart. Boeken zijn ook nuttig, maar met een topografische kaart erbij is identificatie in het landschap veel makkelijker: wandelaars en fietsers zien veel meer. Dat geldt ook voor planologen die niet bij hun tekentafel en beeldscherm zijn weg te branden, want de kaarten van de Topografische Dienst van het ministerie van defensie gebruiken ze allemaal. De TD-kaarten behoren tot de beste en nauwkeurigste topografische kaarten ter wereld, maar een schrille dissonant in het totaalbeeld vormt de weergave van landschappelijke oudheden: een regelrechte puinhoop. Van celtic fields, akkercomplexen uit de ijzertijd, wordt soms een wal weergegeven, de vermelding ontbreekt overal. Hier en daar staat de vermelding grafheuvels op de kaart, maar waar ze precies liggen blijft onduidelijk, omdat ze met precies hetzelfde symbool worden weergegeven als ordinaire stuifduintjes.

Marskampen - Romeins, uit de Tachtigjarige Oorlog, maakt niet uit - blijven bijna altijd onvermeld, zelfs als ze overduidelijk in het landschap zijn aan te wijzen. Kasteelterreinen halen het soms tot de drukpers, met hier of daar het hetzelfde aarden-walsymbooltje dat ook wordt gebruikt voor oude dijken, landweren en keerkaden van de Stelling van Amsterdam.

Het zou allemaal niet hinderen als er in Nederland nooit meer iets werd gebouwd of aangelegd, als er geen ruilverkavelingen meer waren, als natuurontwikkeling niet in de mode was - of, ook een oplossing, als alle landschappelijke oudheden beschermd waren bij de Monumentenwet of krachtens gemeentelijke of provinciale verordeningen. Niets daarvan is echter het geval.

Om bij de wetgeving te beginnen: van al onze eeuwenoude, soms duizendjarige dijken, waaronder veel 'slapers' die bijna ieder waterstaatkundig nut hebben verloren, zijn er maar drie beschermd. Van de 1.700 prehistorische grafheuvels zijn er honderden onbeschermd. De Nederlandse landweren, onbemande verdedigingslinies uit de middeleeuwen, zijn niet eens behoorlijk geïnventariseerd, en er zijn er maar drie beschermd. Celtic fields zijn vrijwel allemaal niet beschermd. Bijenschansen ook niet, veel kasteelterreinen evenmin. Behalve leuk, leerzaam en vaak mooi, zijn die oudheden ook een bescherming tegen het eeuwig dreigend hodiëcentrisme.

Verder is er een commercieel element waar de TD niet ongevoelig voor zou moeten zijn. Gelet op de stroom boeken en wandelgidsen waarin oude landschapselementen aandacht krijgen, zullen archeologisch opgewaardeerde edities van de TD kaarten zeker in de smaak vallen bij het groeiend legioen binnenlandse terreintoeristen.

Hoe het kan is aan de overkant van de Noordzee te zien, in het bijzonder op de Britse stafkaarten. Op de grootschalige kaarten van de Ordnance Survey staan praktisch alle terreinelementen van voor 1700 die nog herkenbaar zijn in het landschap. Het is overigens saillant hoezeer de OS zich aanvankelijk verkeek op de hoeveelheid weer te geven oudheden. In 1920 werd O.G.S. Crawford (1886-1957), in Engeland bekend als de father of field archaeology, aangesteld als eerste archaeology officer bij de OS. Omstreeks 1938 kreeg hij voor het eerst een assistent. Na de oorlog en Crawfords pensionering werd een Archaeology Division van vier man in het leven geroepen. Redelijkerwijs zou je mogen verwachten dat de klus na een kwart eeuw wel geklaard zou zijn, maar in plaats daarvan moest de Division tot een sterkte van 65 m/v groeien voordat alle bekende oudheden inderdaad op de kaart stonden.

In samenwerking met de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort en het Staring Centrum in Wageningen van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek van LNV (SC-DLO), zou de Topografische Dienst een gouden rol kunnen spelen bij de verdediging van het Nederlandse landschap. De noodzaak is er, de kennis grotendeels, en volgens mij ook de vraag. Het idee om onze oudheden eindelijk eens goed, volledig en doordacht weer te geven op de TD-kaarten leeft, voor zover mij bekend, al zeker vijftien jaar in een vrij brede kring van betrokkenen.

Het enige wat tot nu toe ontbreekt is de politieke wil, terwijl diezelfde politiek wel druk in de weer is om landschappelijke cultuurgoederen te laten wijken voor start- en landingsbanen, snelwegen, stadsuitbreidingen, Betuwe- en andere lijnen en allerlei andere recente addenda die we duizenden jaren hebben kunnen missen.

Er is dus haast bij. De ROB heeft alle bekende archeologische terreinwelvingen in een database en dat materiaal zou rechtstreeks naar de TD overgeheveld kunnen worden. Gewapend met die informatie bepalen de terreinverkenners van de TD wat zich nog in het terrein herkennen laat (want onzichtbare oudheden, hoe belangrijk ook, horen niet op een topografische kaart). Van belang is verder dat de ROB aangeeft welke oudheden onvermeld moeten blijven als bescherming tegen de metaaldetectormafia.

De aandacht van de ROB reikt ongeveer tot 1500. Jongere oudheden ressorteren in Nederland onder de historische geografie, en wat de rijksoverheid betreft in belangrijke mate onder het SC-DLO. Eind jaren tachtig werd daar begonnen aan een serie historisch-geografische 1:50.000 kaarten, met een grijsdruk van de TD als ondergrond. Helaas stokte het project na een paar bladen. Maar het project zou natuurlijk gereanimeerd kunnen worden, te beginnen met de inventarisatie die aan kaartproduktie voorafgaat, zodat de TD ook over de eeuwen na 1500 geïnformeerd zou kunnen worden.

Om een samenwerkingsverband tussen de drie rijksdiensten echt goed van de grond te krijgen, zouden ROB, TD en SC-DLO tijdelijk ondersteund kunnen worden met speciaal bureau - tijdelijk, want er komen geen oudheden bij. Op een gegeven moment staan alle historisch relevante terreinwelvingen op de kaart. Daarna hoeft er alleen nog maar af en toe wat van het kaartbeeld te worden afgevoerd, en waarschijnlijk minder dan wanneer dit project geen doorgang vindt. Wat op de kaart staat, ruim je niet zomaar even op - waar het kaartbeeld leeg is, worden de bulldozers veel makkelijker gestart.