JUAN MANUEL FANGIO 1911-1995; Racen is leven

“Racen is leven”, zei de in de nacht van zondag op maandag in Buenos Aires op 85-jarige leeftijd aan een nierziekte overleden Juan Manuel Fangio ooit. De Argentijn geldt als één van de grootste coureurs in de geschiedenis van de autosport. Van de 51 Grand Prix-wedstrijden waaraan hij deelnam, werd hij 24 keer eerste. In de jaren vijftig - een tijd dat coureurs nog leren helmen en stofbrillen droegen - won hij het recordaantal van vijf wereldtitels in de Formule 1. Zijn naam werd een synoniem voor snelheid.

Fangio werd op 24 juni 1911 geboren in Balcare, een dorp op circa driehonderd kilometer van Buenos Aires. Zijn vader, een Italiaanse immigrant, verdiende een karig loon als huisschilder. Een voetbal was het voornaamste speeltje voor de kleine Juan, die er van droomde om ooit een beroemd voetballer te worden. Uit die tijd stamt ook zijn bijnaam, El Chueco, de krombenige.

Al op zeer jonge leeftijd kwam Fangio achter het stuur terecht. Omdat hij, zoals hij op latere leeftijd graag mocht vertellen, met zijn vrienden weleens “dingen uithaalde die eigenlijk niet konden”. “Als we dan op de vlucht sloegen, moest ik altijd rijden. Omdat ik dat het beste kon. Zo is het allemaal begonnen.”

Fangio begon zijn race-carrière als mechanicus van een T-Ford. In 1934 debuteerde hij als wedstrijdrijder. In de jaren daarop startte hij in eigen land vooral in races die over extreem lange afstanden gingen. In 1948 werd Fangio met enkele landgenoten door de Argentijnse president Juan Perón, zelf een groot liefhebber van de autosport, naar Europa gestuurd, om daar aan wedstrijden deel te nemen. In 1951, in het derde jaar van de officiële strijd om het wereldkampioenschap in de Formule 1, behaalde hij in een Alfa Romeo zijn eerste mondiale titel. Na een zwaar ongeluk op Monza kwam hij het seizoen erop nauwelijks in actie. In een Mercedes was hij de twee daaropvolgende jaren opnieuw de sterkste. In 1956 (Ferrari) en 1957 (Maserati) won hij zijn vierde en vijfde wereldtitel.

Fangio's grootste kwaliteiten waren zijn geweldige stuurtechniek, uithoudingsvermogen en het geloof in eigen kunnen. “Tijdens een race dacht ik maar aan één ding: ik de ben de beste”, zei hij ooit. Maar zodra hij uit zijn bolide stapte, was hij de bescheidenheid zelve, een gentleman die zijn tegenstrevers complimenteerde en zijn eigen succes bagatelliseerde. “Er is een eenvoudige formule voor succes in deze sport: vijftig procent wordt bepaald door de wagen, 25 procent door de coureur en de rest door geluk.”

Op 47-jarige leeftijd nam Fangio afscheid van de wedstrijdsport. “Ik hoefde mezelf en de wereld niets meer te bewijzen”, verklaarde hij zijn besluit later.