Geen slang bijt zonder reden en andere vlaggen uit Ghana

Tentoonstelling: Asafo-vlaggen uit Ghana. Afrika Museum Berg en Dal. Open maandag t/m vrijdag 10-17 uur, zaterdag, zon- en feestdagen 11-17 uur, t/m 24 september. Duitstalige catalogus f49,50.

“Dieren zijn niet goed om te eten, maar goed om mee te denken”. De waarheid van deze uitspraak van antropoloog Claude Lévi-Strauss wordt prachtig geïllustreerd in de bonte vlaggen uit Ghana, die nu in het Afrika Museum te zien zijn. Ze wapperen niet, maar het leven spat er vanaf in voorstellingen waarin de hele fauna van het tropisch regenwoud verwerkt lijkt: slangen bijten en kronkelen, apen slingeren door de bomen, een luipaard bespiedt zijn prooi en een olifant legt zijn slurf rond een boom. Ook mensen staan afgebeeld, meestal in krijgstenue.

De figuren zijn in fel gekleurde lapjes geappliceerd op een effen katoenen ondergrond. Details - ogen, oren, de stekels van het stekelvarken - zijn met de hand geborduurd. De taferelen verbeelden spreekwoorden. Oorspronkelijk dienden de vlaggen in de strijd en de in het vaandel gevoerde voorstellingen spelen hierop in. Verpakt in een zoölogische code verbeelden de vlaggen een loflied op de eigen moed en kracht, of bespotten de rivaal door hem te vergelijken met een minderwaardig schepsel als een gier, rat, vis of muis.

In de loop van de tijd drongen in het traditionele idioom moderne symbolen binnen. Ook vliegtuigen ('als een vliegtuig komen wij overal'), treinen en elektriciteitsleidingen zijn zinnebeelden voor kracht en effectiviteit. Zo'n veertig vlaggen zijn te zien, afkomstig uit Duits privé-bezit en vermoedelijk gemaakt in de eerste helft van deze eeuw. Het is voor het eerst dat deze vorm van volkskunst in een Nederlands museum wordt getoond. De vlaggen zijn geïnspireerd op westerse voorbeelden, maar werden volgens de locale tradities en inzichten ingevuld.

Zij ontstonden uit het contact tussen de Fante, een volk aan de toenmalige Goudkust van West-Afrika (het huidige Ghana) en Europese mogendheden. De Fante controleerden de ruilhandel - goud, ivoor en slaven tegen onder meer katoenen stoffen - tussen de Portugezen, Hollanders en Engelsen en de stammen in de binnenlanden. In de zeventiende eeuw waren de Fante georganiseerd in verschillende rijkjes. De meesten wisten van de opbloeiende handel te profiteren, andere keerden zich in de loop van de tijd tegen de vreemde mogendheden.

Maar wat allen van de westerse legers overnamen was het organisatiepatroon en het gebruik van militaire regalia. De Fante-rijkjes vormden compagniëen, de zogenaamde Asafo, met elk een naam, nummer en een eigen vlag. Naast een aanvoerder hadden de compagniën een priester, die de beschermgod van de Asafo gunstig moest stemmen. De vlag had een bijna religieuze betekenis en werd, tesamen met de andere regalia van de compagnie, bewaard in een heiligdom.

Aan het einde van de vorige eeuw nam de militaire betekenis van de compagniën af, maar de sociaal-politieke rol van de Asafo is ook nu nog van belang. De strijd is symbolisch geworden en speelt zich tegenwoordig af tussen de rivaliserende compagnieën. De angel is hiermee echter niet uit de afbeeldingen verdwenen. Het spreekwoord 'De slang bijt niet zonder reden' wordt uitgebeeld door een vervaarlijk zwart-glimmende slang die een nietig figuurtje bedreigd en vormt een niet mis te verstane waarschuwing aan een ieder die deze compagnie zou provoceren. De slang als symbool van kracht en weerbaarheid is voor een westers oog direct herkenbaar, maar soms helpt de toelichting. Want wie zou in een glazen fles - het enige materiaal dat de allesvernietigende, Afrikaanse termieten kan weerstaan - een symbool van onoverwinnelijkheid herkennen?

Maar vaker dan agressieve taal, kiest men voor dubbelzinnige en speelse vormen van spot. Doordat de context bepaalt hoe een afbeelding moet worden geïnterpreteerd lijkt hiermee het vergankelijke en relatieve van de macht te worden erkend. Het zijn deze poëtische subtiliteiten die de vlaggen van de Fante zo bijzonder maken. Een veel afgebeelde voorstelling (ook opgenomen in het Ghanese staatswapen) is een olifant die een palm vastpakt. 'Alleen de olifant kan de palm neerhalen' zegt een spreekwoord, en men zou verwachten dat de vaandeldrager zich met de olifant identificeert. Maar volgens een ander spreekwoord is de palm de sterkste en in een derde variant sluiten beide vrede.

Eén afbeelding is bovenal ontroerend in zijn eenvoudige en wijze bespiegeling over het dilemma van de macht; een probleem van alle landen en tijden, maar zeker van het huidige Afrika. Een man houdt een ei in zijn handen. Drie figuurtjes strekken gretig hun armen uit.'Het ei zegt: ik ben als de macht. Als je mij te stevig vasthoudt, zal ik breken. Laat je mij los, dan zal ik vallen en op de aardbodem uiteenspatten'. Hoe krijgsman.