Biennale

In het Russische paviljoen van de Biennale van Venetië wordt een sensationeel filmpje vertoond. Ik had ergens gelezen dat er wat alledaagse beelden van het Sovjet-leven te zien waren en zo leek het ook toen ik binnenkwam. Een ingenieur die plannen maakt voor een groot gebouw. Werkers die hakken aan een kop van Lenin, tientallen meters hoog. Frisse zwemmers die van de duikplank in het water van een ruim zwembad springen. Er is geen geluid bij de film en er zijn geen tussenteksten.

Het duurde een tijdje voor ik merkte dat er een verhaal werd verteld, een verhaal dat ik kende uit het boek Imperium van Ryszard Kapuscinski over de nadagen van de Sovjet-Unie. Het is het verhaal van de vernietiging van de kathedraal van Christus-Verlosser in Moskou. Een wonderwerk dat minder dan vijftig jaar bestaan heeft. Aan de bouw werd begonnen in 1812 na de aftocht van Napoleon. In 1883 was de kerk klaar en in 1931 werd hij op bevel van Stalin vernietigd. Het was niet gering wat er toen van de aardbodem verdween. Ik heb het nog eens bij Kapuscinski nagekeken. De kathedraal had dertig verdiepingen. De muren, binnen en buiten bekleed met marmeren platen, waren meer dan drie meter dik en er waren 40 miljoen bakstenen gebruikt. Binnenin was de kerk een schatkamer van kunstwerken. Kapuscinski noemt de kathedraal 'die imponerende en machtige tempel, een bouwwerk enig in zijn soort en omvang, de ware trots van de Russische kunst'.

Rare kunstenaarsfratsen om geen enkel commentaar te geven bij dat filmpje in het Russische paviljoen. Maar ik moet toegeven dat het spannend was om, toen ik het voor de tweede keer zag, nu vanaf het begin, langzaam tot me door te laten dringen wat hier getoond werd. Eerst oude beelden uit het begin van de eeuw. Kerkelijke en wereldlijke hoogwaardigheidsbekleders, misschien de tsaar en zijn vrouw, bezoeken de kerk. Dan, enige tientallen jaren later, de ontmanteling en daarna de totale vernietiging. De kathedraal wordt eerst van goud, marmer en kunstschatten ontdaan en dan opgeblazen met trotyl. Vervolgens zagen we de plannen voor het sovjet-paleis dat op de plek zou verrijzen, maar nooit gekomen is, tenslotte het zwembad dat op last van Chroesjtsjov op het braakliggende terrein werd aangelegd.

Ik kon niet genoeg krijgen van de beelden, toen ik eenmaal besefte wat ik zag. Ik bekeek de film een derde en een vierde keer. Is het denkbaar, vraagt Kapuscinski, dat een Franse premier in 1931 de Nôtre Dame op zou blazen, of Mussolini de Sint Pieter? Hier zag je het voor je ogen gebeuren en zoals Hegel in Napoleon de Wereldgeest te paard zag, zo dacht ik nu de Vooruitgang te zien met de Hand aan de springstof.

Zo moet het toen toch door velen gevoeld zijn, het kan niet alleen een gril van Stalin zijn geweest. Kathedraal, symbool van het verderfelijk verbond van Kerk en Staat. Huis voor een God die niet bestaat, beheerd door bedriegers. Is het dan niet beter om de kunstschatten in een museum voor het volk toegankelijk te maken en een sovjet-paleis te bouwen waar gedanst kan worden en geschaakt en waar leerzame cursussen kunnen worden gevolgd? Of desnoods een zwembad, moderne tempel voor gezonde lichaamscultuur, waar het spinrag der middeleeuwen is weggeveegd? Het is moeilijk om je te verplaatsen in de diepe haat tegen het verleden die toen bestaan moet hebben. Heemschutters die we van de weeromstuit geworden zijn. Beschermers van ieder oud wevershuisje, uit eerbied voor het verleden, al beseffen we tegelijk dat onze voorgangers zelf helemaal niet zo eerbiedig waren. Alleen Carel Weeber pleit nog wel eens voor een bombardement op de historische binnensteden om ruimte te scheppen voor een zelfbewuste moderne architectuur. De meesten bedenken dat er in theorie wel iets voor te zeggen is, maar dat we in de praktijk een gebouw van Carel Weeber zullen krijgen.

In Venetië zie je iedere keer het vermetele avontuur, kunstenaars die het nieuwe een confrontatie laten aangaan met het oude. Rode ijzeren platen op de kade van een kanaal. Keukenstoelen opgehangen aan de huizen van een stil plein en midden op het plein een glazen zuiltje met geplette colablikjes. Het oude wint altijd, de confrontatie is hopeloos. Een kind spuugt en zegt een dialoog te voeren met de Niagara-waterval.

De grote thematentoonstelling van dit jaar is rijk van inhoud en wordt onder meer gepresenteerd als een polemiek tegen het idee van de vooruitgang. Alleen in de kunst leeft dat idee nog, schrijft de inrichter Jean Clair in de catalogus. In de politiek en de economie is het ons wel afgeleerd aan het einde van een verschrikkelijke eeuw. Maar in de kunst bestaat nog steeds de mythe van de avant-garde. Succesverhaal over de stoottroepen van een leger dat van de ene overwinning naar de andere snelt, in steeds hoger tempo. Clair stelt voor om eens op een andere manier naar de geschiedenis van de kunst te kijken, en oppert dat misschien niet de abstractie maar de nieuwe uitbeelding van het menselijk lichaam karakteristiek is voor deze eeuw.

Voor het Palazzo Grassi, waar het belangrijkste deel van de tentoonstelling te zien is, staan dranghekken, maar toen ik er was waren ze niet nodig. Geen rijen belangstellenden, af en toe ging een eenling naar binnen. Misschien heeft het bericht zich in Venetië rondgesproken dat in onze krant gewaarschuwd is dat Cézanne op deze tentoonstelling vermoord wordt. De moord op Cézanne viel me niet op, maar je zou kunnen zeggen dat er binnen inderdaad een moordaanslag te zien viel, de moordaanslag op de twintigste-eeuwse mens. De lichamen op de tentoonstelling van Jean Clair worden opgemeten door wetenschappers en pseudo-wetenschappers, vervormd door hysterische aanvallen, gemarteld door oorlogshandelingen, gestapeld in mortuaria, ze verliezen hun grenzen met de buitenwereld en ook de grens die hen scheidt van het dier en de machine.

Wie geen kunsthistoricus is, maar een naïeve kijker, ziet een verzameling schitterende werken. De polemiek tegen de geest der eeuw, die deze tentoonstelling ook wil zijn, is vooral te vinden in de bijdragen aan de catalogus. Daar gaat men inderdaad soms ver en wordt zelfs een keer het verdwijnen van het herkenbare portret vergeleken met de verdwijning van de vervolgden in de concentratiekampen. Je hoeft het niet met iedere letter die daar geschreven is eens te zijn, maar de tentoonstelling, die in deze krant met voor mij onbegrijpelijke vijandigheid besproken is, is prachtig en geeft veel stof tot nadenken.