Besluit Reed Elsevier kan medialand sterk veranderen

ROTTERDAM, 18 JULI. Lang verwacht, toch gekomen. De aankondiging van Reed Elsevier vanmorgen om een groot deel van de publieksmedia, waaronder de Nederlandse Dagbladunie (NDU), af te stoten, hing al jaren in de lucht. Voormalig bestuursvoorzitter Pierre Vinken heeft er nooit een geheim van gemaakt dat het concern wat hem betreft zonder dagbladtak verder zou moeten. Enkele maanden na zijn vertrek heeft de hoogste leiding van Reed Elsevier onverwachts snel de knoop doorgehakt. Potentiële gegadigden mogen zich melden bij de kassa.

Voor het Nederlandse medialandschap zal de beslissing van Reed Elsevier grote gevolgen kunnen hebben. Al jarenlang kijken andere Nederlandse uitgevers als VNU en Wegener likkebaardend naar de publieksmedia van Reed Elsevier. Met de overname van de Nederlandse Dagbladunie, waarin naast NRC Handelsblad en Algemeen Dagblad ook een aantal regionale kranten is opgenomen, zouden deze uitgevers in Nederland oppermachtig kunnen worden. Maar ook de Perscombinatie (Volkskrant, Trouw, Parool), waarmee de NDU in 1988 al fusiebesprekingen voerde, zou een nieuwe poging kunnen wagen.

De NDU is niet het enige bedrijfsonderdeel dat nu prominent in de etalage is gezet. Ook de Nederlandse uitgeverij Bonaventura (onder andere Autovisie, Elegance, OOR) is te koop. Alleen het opinieweekblad Elsevier wordt binnenshuis gehouden. Van de Britse activiteiten worden de regionale kranten van Reed in Groot-Brittanië en de boekenuitgeverij Reed Consumer Books te koop aangeboden. IPC Magazines, dat in Groot-Brittanië de grootste uitgever is van publiekstijdschriften, houdt Reed Elsevier zelf.

Voor Nederlandse uitgevers zou een overname van de NDU vooral aantrekkelijk zijn wegens de schaalvoordelen. Kranten zijn duur om te maken, te drukken en te distribueren, terwijl de opbrengst relatief laag is. Met de extra oplages van NRC Handelsblad (ruim 250.000 abonnees) en het Algemeen Dagblad (400.000 abonnees) zou de nieuwe eigenaar zich bovendien een zeer sterke positie op de advertentiemarkt veroveren. Een aantrekkelijk vooruitzicht, zeker nu de concurrentie van televisiereclame de afgelopen jaren zo is toegenomen.

Op het hoofdkantoor van Reed Elsevier zullen de komende weken echter waarschijnlijk niet alleen Nederlandse collega-uitgevers op de stoep staan. Ook van buitenlandse mediaconcerns, zoals van de Australische Murdoch of het Duitse Bertelsmann, is bekend dat ze graag een goede positie willen hebben op de Nederlandse kranten- en tijdschriftenmarkt.

Of de Nederlandse Dagbladunie in andere handen zal overgaan, staat nog niet vast. In het vanmorgen verstrekte persbericht laat Reed Elsevier de mogelijkheid open voor een beursgang van dit bedrijfsonderdeel. De betrokken vakbonden, de NVJ en de FNV-Kiem (dienstenbond, grafici en kunstenaars) beschouwen dit verreweg als de beste optie. Zij vrezen dat bij een overname door bijvoorbeeld de Perscombinatie of VNU uiteindelijk (regionale of landelijke) krantentitels zullen sneuvelen. Met een zelfstandige NDU blijft volgens hen de pluriformiteit van de Nederlandse media het beste gewaarborgd.

De vakbonden hebben er weinig vertrouwen in dat de Nederlandse gedragscode voor persfusies een binnenlandse overname lang zal kunnen tegenhouden. Weliswaar stelt deze code (die door de Nederlandse Dagbladpers zelf is opgesteld) dat uitgevers maximaal een derde van de Nederlandse krantenoplage mogen verzorgen, maar volgens ingewijden zal deze regeling in de praktijk een wassen neus blijken. Ook van Europese regelgeving valt volgens de bonden niet veel te verwachten. “Die regeling is dermate grofmazig dat daaruit geen verbod zal voortvloeien”, zegt NVJ-secretaris Hans Verploeg.

Een beursgang mag in de ogen van de bonden dan de beste optie zijn, zelf betwijfelen ze of een dergelijke verzelfstandiging ook haalbaar is. De vraag is of beleggers wel geïnteresseerd zullen zijn in een krantenbedrijf dat opereert in een verzadigde lezersmarkt, onder hevige concurrentie van andersoortige informatie-aanbieders. Bovendien zal een beursgang veel tijd kosten, op zijn minst een half jaar. “In die tijd kan er zo een grote aanbieder opduiken”, aldus Verploeg.