Verrassingen in Zomergasten blijven steeds vaker weg

Al om half tien gisteravond, ruim een uur na het begin van de derde aflevering van Zomergasten, zuchtte de schrijfster Lydia Rood: “Ik ben uitgeluld hoor, even.” Maar ze was op dat moment volgens presentator Peter van Ingen nog lang niet afdoende doorgezaagd. Ruim een uur later kwam haar tweede tegenwerping: “Zeg, het wordt privé - kom op, we zitten televisie te kijken!” En nog wist Van Ingen van geen ophouden. Hij moest en zou weten waarom zijn zomergaste een roos op haar onderbeen heeft getatoueerd, en meende haar steeds afhoudender antwoorden ook nog (opzettelijk of per ongeluk) verkeerd te moeten begrijpen. “Ik probeerde mezelf te relativeren”, reageerde de schrijfster op enigszins bitse toon, “dat is je kennelijk ontgaan.”

“Mijn ideale televisie-avond”, zei de filmer Ian Kerkhof vorige zondag, zijn ondervrager pootje lichtend, “is een avond zonder Peter van Ingen.” Glimlachend liet de aangesprokene die opmerking passeren. Ook bij Lydia Rood gaf hij geen krimp, meedraaiend met haar luimen en steeds weer opnieuw proberend iets uit haar los te krijgen. De techniek is langzamerhand voorspelbaar. Catweazle, de kinderheld uit de jaren zeventig, was een buitenbeentje. Dus vroeg Van Ingen: “Jij ook?” Herenleed was volgens de schrijfster haar eerste confrontatie met macht. Dus vroeg Van Ingen: “Hoe heeft zich dat bij jou dan geuit?” Frank Zappa ging zijn eigen gang. Dus zei Van Ingen: “Dat je eigen gang gaan, dat doe je zelf ook.”

Zomergasten ontleende altijd veel van zijn aantrekkelijkheid aan de zelfportretterende keuze van de fragmenten en aan de spontane reacties van de gast die die beelden vaak voor het eerst sinds jaren weer terugzag. Maar al sinds een paar zomers zijn de uitzendingen veel meer voorgeproduceerd. De gast heeft de aangevraagde beelden vooraf al teruggezien en tracht zich steeds meer op te stellen als mede-presentator. Voor de twee vorige gasten in de huidige serie, Frits Bolkestein en Ian Kerkhof, fungeerden de fragmenten als onderdeel van een betoog. Dat gaf hun avonden een didactische toon, die de spontaniteit niet ten goede kwam. Lydia Rood, springerig als haar haardos, liet weer iets meer ruimte voor de spontane reactie, maar ook bij haar wreekte zich het gebrek aan verrassing over wat ze te zien kreeg.

Daar komt nog bij dat het maar weinigen gegeven is de vertoonde beelden een verrassende extra betekenis te geven. Wie - zoals ik - nauwelijks ooit van Lydia Rood had gehoord, zal de reeks fragmenten uit politiek-correcte documentaires tamelijk onaangedaan hebben ondergaan. En wie - zoals ik - de psychologiserende intermezzi van Van Ingen steeds hinderlijker begint te vinden, zal instemmend hebben meegeknikt toen hij aankondigde dat er nu iets anders kwam, en toen de gaste daarop zei: “Hè, hè, godzijdank.”