TAFTA heeft meer na- dan voordelen

Dit voorjaar bezocht ik de VS en Canada voor overleg met collega's over verbetering van de transatlantische samenwerking. Daarbij kwam vaak de mogelijke oprichting van een Trans Atlantic Free Trade Agreement tussen de EU en een of meer leden van de NAFTA (het vorig jaar tussen VS, Canada en Mexico afgesloten vrijhandelsakkoord) ter sprake.

W.H. Weenink pleitte expliciet voor een TAFTA (NRC Handelsblad, 16 juni), maar dat lijkt mij niet de beste weg. Evenals R. Denman (NRC Handelsblad, 24 juni) vind ik dat daaraan meer nadelen dan voordelen kleven. Zo is het niet bij voorbaat duidelijk of een TAFTA spoort met de multilaterale regels en disciplines (WTO en OESO) die de leden van EU en NAFTA zijn aangegaan.

Een vrijhandelsovereenkomst is, ook al doet de naam anders vermoeden, niet in alle opzichten 'vrij'. Een dergelijk akkoord is tegelijkertijd discriminerend, omdat het een relatief moeilijke toegang tot de vrijhandelszone voor bedrijven uit derde landen veroorzaakt, met name voor de de ontwikkelingslanden en de Midden- en Oosteuropese landen. Als de VS en de EU wederzijds hun tarieven zouden verlagen en die handelsvoordelen vervolgens niet aan derden zouden doorgeven, betekent dit een benadeling van bedrijven uit die landen. Dat zou een moeilijk te verteren signaal zijn.

Na vele jaren GATT onderhandelingen in het kader van de Uruguay Ronde bestaat inmiddels een nieuwe organisatie voor internationale handel, de World Trade Organization (WTO). Nederland vindt het niet wenselijk verdere handelspolitieke ontwikkelingen buiten dit kader te laten plaatsvinden, nog afgezien van de problemen die dit met zich zou brengen.

De WTO, waarvan zowel de VS als de EU lid zijn, stelt stringente regels aan de vorming van vrijhandelszones. Een vrijhandelsovereenkomst dient substantially all the trade te omvatten. Dat wil onder meer zeggen dat men niet hele sectoren mag uitzonderen van onderlinge vrijhandel, hetgeen betekent dat ook een nogal gevoelige sector als de landbouw grotendeels moet worden opgenomen.

Bovendien dient het einddoel van onderlinge vrijhandel in tien jaar tijd te zijn gerealiseerd. Het valt niet goed in te zien hoe de Atlantische partners er binnen tien jaar in zouden kunnen slagen alle handelsbelemmeringen op gevoelige sectoren als landbouw, textiel, maritiem transport en op audiovisueel terrein geheel te slechten. Een TAFTA is dus moeilijk realiseerbaar, tenzij de VS en de EU eenzijdig de WTO-regels 'herinterpreteren', maar dat zou in mijn ogen hoogst ongewenst zijn.

Maar zelfs als een transatlantische vrijhandelsovereenkomst zou kunnen worden afgesloten conform de WTO-regels, dan is het nog maar de vraag of daarvan geen remmend effect uitgaat op de lopende en toekomstige wereldwijde WTO-onderhandelingen. Het Nederlandse bedrijfsleven is het meest gebaat bij een wereldwijde liberalisering van de handel, waarvan onder meer de aan belang winnende Aziatische markt deel uitmaakt. Ik ben me pijnlijk bewust van het moeizame verloop van de WTO-onderhandelingen in Genève, zoals recentelijk nog ten aanzien van de liberalisering van de markt voor financiële diensten. Toch zijn hier voor Nederlandse ondernemingen (banken, verzekeringsbedrijven en effecten-bedrijven) belangrijke voordelen te behalen. Als verder afbreuk zou worden gedaan aan de motivatie om de liberalisatie van de wereldhandel in multilateraal kader door te voeren, dan kan dat ertoe leiden dat het Nederlandse bedrijfsleven elders kansen mist.

Overigens betekent dit niet dat de WTO-regelgeving regionale economische integratie belemmert. Het is heel goed mogelijk om regionale vrijhandelsovereenkomsten te sluiten die conform de WTO-regels zijn. De EU zelf is daar een voorbeeld van. Ook de NAFTA lijkt daaraan te voldoen, in die zin dat ook de landbouwsector grotendeels in deze overeenkomst is opgenomen. Aan de WTO-regels voldoen is gemakkelijker als de betrokken landen in dezelfde regio liggen en hun economieën op elkaar lijken.

Ik ben me bewust van het feit dat een TAFTA voor bepaalde bedrijven voordelen zou kunnnen bieden, zeker waar het de toegang vergemakkelijkt tot markten als de Mexicaanse die door de NAFTA competitiever zijn geworden. Maar op de langere termijn heeft het vooral nadelen, doordat zich in de wereld een lappendeken van allerlei 'vrijhandels'-overeenkomsten, elk met eigen regels, dreigt te ontwikkelen. In plaats van handelsbevorderend zou dat handelsfrustrerend kunnen uitpakken. Vooral voor een zeer internationaal georiënteerde economie als de Nederlandse zou dit ernstige gevolgen kunnen hebben.

In de VS heeft men op dit moment te veel de neiging het multilaterale kader te laten voor wat het is. Dit blijkt uit de opeenvolgende bilaterale handelsgeschillen met Japan en hun terughoudende opstelling tijdens de onderhandelingen over de liberalisering van de markt voor financiële diensten.

TAFTA is dus wat mij betreft de verkeerde conclusie van een adequate analyse, waarin intensivering van de transatlantische betrekkingen voorop staat. De VS en de EU zijn elkaars belangrijkste partners, ook in economisch opzicht. Zes miljoen banen hangen bijvoorbeeld af van de wederzijdse investeringen. Vanuit dit gezichtspunt heb ik mijn Amerikaanse collega's een aantal andere mogelijkheden voor intensivering van de economische relaties voorgehouden. Dit behelst het geven van een impuls aan de onderhandelingen in WTO-kader èn het gelijktijdig versterken van de transatlantische band. Die aanpak zou dan geen vrijhandelsovereenkomst inhouden en dus ook niet meer problemen oproepen dan oplossen.

Nog meer dan voorheen zouden de VS en de EU gezamenlijk het leiderschap in multilaterale fora als de WTO moeten vormgeven. Alleen zo kunnen de VS en de EU belangrijke economische vraagstukken het hoofd bieden. Dit betekent onder meer: vasthouden aan multilaterale handelsliberalisering, samen optrekken ten aanzien van de toetreding van China en de Russische Federatie tot de WTO, en ontwikkelen van multilaterale regels voor nieuwe uitdagende aandachtsgebieden zoals de voor Nederland zo belangrijke thema's 'handel en investeringen' en 'handel en milieu'.

Wat de versterking van de bilaterale samenwerking betreft denk ik vooral aan gebieden die wederzijdse handel en investeringen vergemakkelijken, zoals de wederzijdse erkenning van standaarden en certificatieprocedures alsmede het terrein van de overheidsaankopen. Maar ook samenwerking op gebieden als investeringsbevordering, technologisch onderzoek, medededingingsbeleid en anti-kartelbeleid.

Kortom: alles op alles zetten om de economische banden met de Verenigde Staten verder aan te halen. Daarbij moet onze inzet zijn de VS zoveel mogelijk op het multilaterale pad te houden, omdat dit op de langere termijn in het belang is van onze welvaart en trouwens ook van de welvaart in de VS, zoals de afgelopen 50 jaar van toenemende handelsliberalisatie heeft aangetoond.