SIR STEPHEN SPENDER (1909-1995); Dichter uit jaren '30

Sir Stephen Spender, die gisteren op 86-jarige leeftijd in Londen overleed, sleet een groot deel van zijn leven als een levende legende, maar toen ik hem in 1989 sprak, muntte hij vooral uit in bescheidenheid. Spender was in Nederland ter gelegenheid van de vertaling van zijn roman The Temple, een door hem opgeduikeld en herschreven relikwie uit de jaren twintig, dat een onverwachte bestseller bleek - waarschijnlijk vooral door de tintelende homo-erotische jongen in zwembroek op het omslag. Die roman bevatte een nauwelijks verhuld portret van de drieëenheid van de Engelse literatuur in de jaren dertig, zijn boezemvrienden W.H. Auden en Christopher Isherwood en Spender zelf, en hun vrijgevochten leven temidden van de lichaamscultuur van het vooroorlogse Duitsland.

Ik vond het een beetje wrang dat Spenders latere succes opnieuw zo nadrukkelijk verwees naar die mythische jaren, al zo afdoende vastgelegd door Isherwood en door Spender zelf in zijn autobiografieën World Within World (1951) en The Thirties And After (1978), maar de bejaarde schrijver zat daar helemaal niet mee. Hij toefde nog altijd graag in die voorbije tijd, verklaarde hij beminnelijk. Hij bekende zelfs het gevoel te hebben een postuum leven te leiden, aangezien alle vrienden waarover hij schreef niet meer in leven waren: “Ik voel me nog altijd aangetrokken tot de jaren dertig, meer dan Auden en Isherwood in hun latere leven. Ik denk er nog veel aan.”

Tegelijkertijd toonde hij zich bewust van de grenzen aan zijn talent: “Toen ik mijn dagboeken publiceerde, werd ik hier en daar heftig aangevallen, omdat ik denigrerend over mijzelf zou spreken. In dat soort gevallen word je dan altijd ijdelheid verweten, omdat je de criticus of de lezer uitnodigt om te zeggen dat het zo erg nog niet met je gesteld is. Maar ik ben me nu eenmaal zeer bewust van het feit dat ik met mensen omga van wie enkelen in sommig opzichten veel slimmer, veel creatiever zijn dan ik. Ik stel mijzelf voor als een deel van het zonnestelsel, waar ik planeten kan zien die veel groter zijn dan ik ben.” Die zelfbewuste bescheidenheid heeft Stephen Spender niet verhinderd een omvangrijk oeuvre bij elkaar te schrijven: veel gedichten, memoires, dagboeken, reisverslagen, recensies, literaire studies, vertalingen, een enkele roman.

In de jaren dertig, na zijn studie in Oxford, gold hij door zijn persoonlijke en politieke gedichten een tijdlang als de stem van de nieuwe generatie dichters, hoewel hij als dichter uiteindelijk overschaduwd zou worden door Auden. Spender bemoeide zich in die tijd op een hartstochtelijke manier met politiek, schreef propaganda voor de Republikeinen tijdens de Spaanse burgeroorlog en was even lid van de Communistische Partij. Later in zijn leven zette Spender zich met overgave in voor vervolgde schrijvers, onder meer door de redactie te voeren over het blad Index on Censorschip. Voor die goede zaak reisde hij tot aan zijn dood vele malen de wereld over.

Maar zijn schrijvershart lag in die roemruchte jaren dertig die het gevormd hadden en het ook voor de rest van zijn leven gevangen hielden. Hoezeer Spender zijn herinneringen aan die tijd koesterde, bleek toen hij twee jaar geleden een proces wegens plagiaat en smaad aanspande tegen de Amerikaanse schrijver David Leavitt, die voor zijn drakerige roman While England Sleeps vrijuit de memoires van Spender had geplunderd en er van zichzelf alleen wat hete homoseks aan toegevoegd had. Er waren grenzen aan Spenders beminnelijkheid.