Overzichtstentoonstelling obsessieve schilder Ferdinand Erfmann in Dordrecht; De vrouw een macho, de man een miezer

Tentoonstelling: Ferdinand Erfmann; schilderijen en tekeningen. T/m 10 sept in het Dordrechts Museum, Museumstraat 40, Dordrecht. Di t/m za 10-17u, zo 13-17u. Cat ƒ 35,-

De Amsterdamse schilder Ferdinand Erfmann (1901-1968) is altijd het kleine jongetje gebleven, achterop de fiets van zijn moeder. Niemand anders dan zij stippelde de koers uit, bracht hem verder op weg, bood houvast en evenwicht. Het jongetje pakte haar, hobbelend over de keien, bij de heupen; breed en stevig rustten ze op het zadel. Zonder haar en die heupen bleef hij nergens.

Op een overzichtstentoonstelling in het Dordrechts Museum hangt dat schilderij met de standvastige moeder op de fiets en dat nog wankele knaapje op het achterwiel. Op tientallen andere doeken lijkt de moeder keer op keer terug te keren, zoals ook de Britse beeldhouwer Henry Moore zo vaak zijn moeder ten tonele voerde, in de gedaante van een stenen kolos met uitgestrekte rug- en schouderpartijen. Als klein jongetje had hij haar rug regelmatig moeten inzalven, vertelde hij later - vandaar.

Erfmann heeft zich, voor zover ik weet, niet zo evident als Moore uitgelaten over de beeldende invloed van zijn moeder, wèl over de verderfelijke uitwerking van zijn opvoeding, waardoor hij zijn 'gaven ongebruikt moest laten', zoals in een van zijn notities in het museum is te lezen. Toch moet elke vrouw op het linnen - hij penseelde als een grove fijnschilder op zo'n duizend figuratieve doeken weinig anders - zich met dat archaïsche beeld van de oermoeder meten: peervormig, met heupen en dijen als vleselijke zeeboeien, met de volumineuze armen van een kampioen discuswerpen. Elke man is in haar bijzijn maar een miezertje. Mannen kunnen überhaupt niets goed doen bij Erfmann. Hoerelopers zijn het, patjepeeërs, te rot om voor de duvel te dansen.

Na lezing van de catalogus blijft het lastig de stereotype personages op die bijna tweehonderd statische, kleurplaat-achtige schilderijen en tekeningen in Dordrecht te duiden. Erfmann, in de jaren zestig 'de belangrijkste naief van Nederland' genoemd, tekende eerst contouren in houtskool of pen en vulde later de vlakken nogal plat in met matte mengkleuren die sterk aan de jaren vijftig doen denken. Stuk voor stuk kregen zijn figuranten een sjabloonachtig gezicht, het eigene is hen vreemd en het is aan de toeschouwer hen emoties toe te dichten. Alleen hun haardracht, kleding en entourage verschillen. Hun houdingen ogen net zo theatraal als die van een opgefokte acteur of actrice. Een gebaartje hier, een gilletje daar. 'Het zijn niet zoozeer menschen alswel de idee van de mensch', zei hij zelf, en daarin had hij volkomen gelijk. Niemand is op zijn doeken ooit iemand geworden. Een rol moest hen inhoud geven.

Erfmann volgde eerst kunstnijverheidsonderwijs voordat hij in 1927 werd toegelaten tot de Rijksacademie in Amsterdam. Uit een plichtsgevoel jegens zijn ouders en ook om wat bij te verdienen bleef hij acteren. Vooral uit zijn lidmaatschap van Amsterdamse kunstenaarsverenigingen als De Brug en de Onafhankelijken zouden later exposities voortvloeien. Tijdens de oorlog zou Erfmann alles in het werk stellen om het lidmaatschap te verwerven van de Kultuurkamer. Eenmaal op leeftijd, een karig bestaan leidend, kon hij zich vooral het lot van het dier in de samenleving aantrekken. Nee, het schilderen van beesten was te ontroerend, vond hij, daar kon hij niet aan beginnen. In de zomer van 1968 kwam hij in Sardinië plotseling te overlijden.

Hoewel zijn doeken thematisch en niet chronologisch in Dordrecht zijn opgehangen, is er nauwelijks een ontwikkeling in die veertig jaren van schilderkunstige arbeid te bespeuren. Alsmaar zien we weer diezelfde robuuste vrouwen op het strand liggen, ze reizen met zware rugzakken, ze maken zich op, ze tennissen, ze bezoeken in flamboyante jurken het theater. Net zo vaak houden Erfmanns vrouwen, in lingerie gehuld, zich schuil achter de vitrages, om vandaar passanten te beloeren of klanten te lokken. Soms is de sekse onbepaald, een mannelijf in een jurk gestoken of omgekeerd. Maar allen zijn met diezelfde obsessieve en behoedzame gelijkvormigheid neergezet waarmee bijvoorbeeld de Belgische schilder Paul Delvaux zijn station-naakten herhaalde. Ook hij zou de grenzen van die obsessie niet verkennen, laat staan overschrijden.

Kleding sprak voor Erfmann, telg uit een toneelfamilie, blijkbaar boekdelen. Afgezien van het feit dat hij zichzelf in vrouwekleding portretteerde, blijkt dat vooral uit zijn reeksen kleine tekeningen en aquarellen en uit zijn meer speelse, ritmische schilderijen van varieté-artiesten, gemaskerde feestgangers en van acrobaten die, gehuld in 'body'-pakjes en absurde haarnetjes elkaar in gymnastische poses in evenwicht houden. Hun atletische lichaamsbouw moet Erfmann net zo hebben aangesproken als de ambiance van het uitgaansleven en het soms potsierlijk uitgedoste publiek.

Erfmann noemt zichzelf op een filmpje, kort voor zijn dood gemaakt, een 'zeer eenzaam man', net zo 'apart' als zijn werk. Over zijn voorliefde voor travestie en voyeurisme kon hij alleen schilderen, niet praten. Dat korte filmfragment onthult hoe krampachtig hij de toen nog heersende taboe's moest omzeilen.

Inmiddels had suikerziekte hem impotent gemaakt en de woedeuitbarstingen die met die ziekte gepaard gingen, brachten hem in een nog groter isolement. Dat hij zich nooit aan een vrouw wist te binden, zijn verdriet, lag aan zijn vader, schreef hij. Elk favoriet, dus breed gebouwd vriendinnetje had hij destijds te min gevonden. Daarom zocht de zoon in zijn volgestouwde atelier 's nachts achter de ezel het gezelschap van zichzelf, verkleed als vrouw of acrobaat, en dat van zijn zelf gecreeërde vriendinnen, die zich als een machtige moeder over hem hadden moeten ontfermen. Dat emotionele avontuur durfde hij in de alledaagse werkelijkheid niet aan, en misschien was hij daar ook vòòr zijn ziekte simpelweg niet toe in staat. Hij gaf zijn vader de schuld van die onvrijheid. Maar dat het in zijn schilderijen, hoe bizar, aandoenlijk en bloedeloos ze soms ook zijn, nooit tot een doorbraak is gekomen, kon hij alleen zichzelf aanrekenen.