Nederland probeert op het terras het vakantiegevoel te verlengen; 'Het terras is een uitbreiding van de huiskamer waar de krant wordt gelezen en tv wordt gekeken'

Het aantal terrassen in Nederland is de laatste jaren explosief toegenomen. De stadsbewoner kiest het terras dat bij hem past en kijkt, kiest en keurt zonder daadwerkelijk contact te hoeven leggen.

Nergens in Noord-Europa zijn zoveel terrassen als in Nederland. Het aantal terrasvergunningen is sinds 1965 vervijfentwintigvoudigd tot ruim zestienduizend. Zo massaal besteden mensen hun vrije tijd 'in de stad', dat binnensteden transformeren tot 'openluchtsociëteiten'. “Daar waar alles zont en zuipt”, zei Remco Campert al eens. De volkstuin, het sportveld of het natuurgebied is voor de moderne mens geen alternatief. Het nietsdoen in het openbaar, zichtbaar op straat, temidden van onbekenden, heeft zijn eigen charmes.

Vrijdagavond. Wie via Hoog Catharijne de Utrechtse binnenstad inloopt, komt al snel terecht bij een zonnebadtafereel: vergeelde stoelen - de meeste gemaakt van rotan, andere van plastic - zijn in een rommelige formatie op de terrassen van de werfkelders aan de Oudegracht neergezet. De enige structuur die in de opstelling is te ontwaren, is dat de meeste stoelen met hun voorkant naar de gracht staan. Bezoekers zitten achter elkaar in rijen en kijken hun voorganger in de nek.

De Oudegracht, het kloppende uitgaanshart van de Domstad, is één groot terras. Er hangt een geur van bier en versgebakken pizza's. Mensen eten of drinken wat in de zon. Het Utrechtse echtpaar Van der Sluis zit buiten bij eethuis Het Draeckje. Sinds drie jaar gaan ze in de zomer niet meer op vakantie naar het buitenland. “Door de slechte gezondheid van mijn vrouw”, verklaart meneer Van der Sluis (78). Daarvoor gingen ze altijd naar Spanje. Zelf zou hij nog wel een keer naar Griekenland willen. Athene bezoeken. “Maar in Nederland vinden we alles wat ons hartje begeert”, glimlacht mevrouw (71). Ze zou het liefste “tot de dood aan toe” op het terras blijven zitten. Maar ze houden het op iedere vrijdag. Als het weer het ten minste toelaat. “Dan eten we wat en drinken we een Belgisch biertje. Eigenlijk praten we op het terras nooit zoveel met elkaar. We kijken graag naar anderen.”

Een dame op hooggehakte laarsjes, in doorzichtige blouse en met een lakleren tasje onder de arm geklemd, stiefelt vlug op een lege tafel af bij terras Jerôme. “Het is hier altijd vechten voor een plek”, vertelt Wim Versnel (34) uit Houten. “Maar daarna kan je uren blijven zitten. Lekker knus met z'n allen bij mekaar.” En zijn vriendin: “Gewoon wat drinken en verder nietsdoen.” Nederlanders zitten graag op het terras om naar anderen te kijken en zelf bekeken te worden, zegt de Utrechtse stadssocioloog J. Oosterman. Hij deed vier jaar lang onderzoek naar de sociologie van het terras en de ontwikkeling van het vermaak in de Nederlandse stadscentra. Het terraszitten is volgens Oosterman kenmerkend voor de moderne cultuurmens, die zoekt naar directe, zintuigelijke ervaringen ('sensibiliteitscultuur'). “Vanaf het veilige bruggehoofd van het terras overziet hij het podium van de voorbijtrekkende menigte. Hij kijkt, kiest, keurt in één oogopslag, zonder dat hij het contact met de ander daadwerkelijk hoeft aan te gaan.”

Volgens dr W.P. Knulst, hoofd onderzoekssectie media en cultuur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, is het terras populair omdat Nederlanders de vakantiebestemming willen importeren naar de eigen leefwereld. “Ons streven naar een verlengd vakantiegevoel na een bezoek aan het buitenland en de zonnecultus die we in ons land kennen, maakt dat we tot een flodderige imitatie van het Zuideuropese terras zijn gekomen. Want een voorverwarmd bord hoef je in Nederland niet te verwachten.”

Het terras is volgens Knulst geen tegenhanger meer van de privé-sfeer, maar eerder een uitbreiding van de huiskamer waar de krant wordt gelezen en tv wordt gekeken. “De puriteinse voorschriften zijn langzamerhand verdwenen. Vond een glas alcohol nuttigen tot ver na de Tweede Wereldoorlog in besloten kring achter gesloten gordijnen plaats, tegenwoordig wordt zichtbaar consumeren geaccepteerd. In Zuideuropese landen bestaat bijvoorbeeld bij de lokale bevolking nog wel steeds de gêne om in het openbaar te eten.”

De explosieve toename van het aantal terrassen heeft veel te maken met de veranderende samenstelling van de bevolking, denkt K. Woltjens van Heineken Nederland. De bierbrouwer onderzocht vorig jaar voor zijn cliëntèle het profiel van de terrasganger: overwegend alleenstaanden en mensen zonder kinderen uit de jongere leeftijdscategorieën. Bijna één op de drie bezoekers heeft een universitaire studie of hogere beroepsopleiding achter de rug of is daarmee bezig. De helft heeft een betaalde baan en ruim eenderde is student of scholier. De anderen zijn ofwel huisvrouw (-man), werkzoekend of gepensioneerd.

Een afspiegeling van de bevolking is het terraspubliek niet, maar de groep wordt wel groter, aldus Woltjens. Ouderen worden volgens hem in het vrijetijdscircuit steeds belangrijker. Daarnaast is er een groter wordende groep van één- en tweepersoonshuishoudens die het terras komt opzoeken.

De Rotterdamse horeca-baas F. van den Enden (dranklokaal Le Vagabond) constateert naast de terrassenexplosie meer ontwikkelingen. Door het grote aanbod gaan mensen volgens hem niet zomaar op een terras zitten. Er is sprake van een 'samenklontering' van personen met dezelfde sociaal-culturele kenmerken. Om die reden beschouwt Van den Enden het terras als een broedplaats van cultuur en identiteit. “Vrijwel ieder terras heeft zijn eigen publiek: jongeren, ouderen, studenten, rock & rollers, 'yuppies'. Het publiek selecteert zichzelf. De mensen komen niet voor ons. Ze zoeken elkaar op. Wie niet zorgvuldig een terras kiest met een levensstijl die bij hem past, hoort er niet bij.” Zo worden bezoekers van een terras aan de Amsterdamse gracht dit seizoen door het personeel gesommeerd - ondanks de warmte - hun blouse dicht te maken en geldt op een ander terras in de Amsterdamse binnenstad een verbod voor autotelefoons.

Dat betekent niet dat dergelijke 'stijlgebieden' per definitie plekken zijn waar men elkaar kent, verzekert Y. Lewin van Stichting Date in Breda. “Het ons-kent-ons karakter stimuleert het contact tussen personen niet”, aldus de consulente van Nederlands grootste relatiebureau. Ze adviseert haar cliënten dan ook eerst kennis te maken in een 'grand café', alvorens het terras te bezoeken. “De cafésfeer is intiemer en bedekter. Je hebt niet meteen het idee dat je privé-leven te grabbel ligt voor luistervinken.”

Terraszitten was lange tijd een bezigheid voorbehouden aan een kleine groep ('happy few'), de gegoede burgerij. Scheveningen kende al in 1828 zijn Grand Hôtel des Bains, een gebouw met twee gebogen zijvleugels met daartussen een beschut terras. Hier hield zich een deftig Haags publiek op, temidden van de Europese noblesse. Het Kurhaus kreeg in 1885 zijn felbegeerde terrasvergunning voor zesduizend plaatsen. Het moet een bekende plek zijn geweest voor de Haagse fine fleur. Zo liet de schrijver Couperus zijn romanpersonage Eline Vere op dit terras plaatsnemen.

Na de Tweede Wereldoorlog leek de teloorgang van de elitaire terrascultuur nabij. In het ideaal van de functionele stad was weinig aandacht voor terrassen in de binnenstad, schrijft stadssocioloog Oosterman in zijn promotiestudie Parade der passanten. Recreatie werd aan de rand van de steden gepland, waar grote parken met kanovijvers ontstonden. De rest van de stad was vooral aan het steeds toenemende autoverkeer toebedacht. Ze bouwen de sfeer de stad uit, zei sociaal-geograaf W.F. Heinemeyer eens over Amsterdam.

Omstreeks 1970 volgt de kentering. “Sociologen gingen zich bemoeien met de stadsbouw”, zegt de Rotterdamse stedebouwkundige K. Hage. In het stedebouwkundige jargon duiken termen op als leefbaarheid, 'functiemenging' en verblijfsklimaat. Straten worden ingericht als voetgangersgebieden, bedoeld om te flaneren. De horeca krijgt de ruimte. Ontmoetingen tussen culturen en klassen zouden onder het genot van een frisse consumptie op het terras beter verlopen.

Volgens het Bedrijfschap Horeca beschikt vijfenveertig procent van de elfduizend cafés in Nederland over een terras. Bij café-restaurants ligt dat percentage zelfs op eenenzeventig procent (2.100 terrassen). Amsterdam is met een terrasoppervlakte van ruim 17.750 vierkante meter koploper (1.314 terrassen). In de afgelopen tien jaar verdubbelde daar het aantal terrassen. Toch is de hoofdstad niet het Dorado voor de terrasganger met zestig inwoners per terrasstoel. Die eer komt Nijmegen toe met veertien inwoners per stoel.

In Groningen is het aantal vierkante meters terras in de binnenstad sinds 1976 bijna verachtvoudigd, van 400 naar ruim 3.000 vierkante meter nu. “Het aantal terrassen dat er per jaar bijkomt, is op een hand te tellen”, zegt A. Nauta, de Groningse binnenstadvoorlichter. “De concurrentie is te groot om nog uitbreiding van horeca-bedrijven te verwachten. Wel worden bestaande terrassen steeds groter.”

Gemeenten als Amersfoort, Groningen, Eindhoven, Breda kiezen duidelijk voor een 'terrassen-beleid'. Dat houdt in dat een groot deel van de binnenstad 'bevolkt' wordt door (rotan) terrasstoelen. “Het terras is meer dan een symbool van stedelijk vermaak”, zegt M. Peters van het Rotterdamse VVV-kantoor aan de Coolsingel. “Het symboliseert het gewenste imago van de hedendaagse stad. Het terras drukt een gevoel uit van ontspanning, gezelligheid en knusheid.”

Den Haag, vanouds een conservatieve terrasgemeente, is om die reden sinds kort overstag. Volgens de Haagse raadsleden verhoogt een soepeler terrassenbeleid en wat meer decibellen de aantrekkelijkheid van de binnenstad. Andere gemeenten, zoals Nijmegen en Maastricht, vrezen daarentegen dat de oprukkende terrascultuur het monumentale stadsgezicht vertroebelt. Terrassen worden daar begrensd en aan schoonheidseisen onderworpen: alleen rotan stoelen en minder reclame op parasols en windschermen.

M. Drissen, hoofd afdeling toerisme van het Bedrijfschap Horeca, denkt dat lokale overheden in het terras vooral “een leuk melkkoetje” zien. “Op toplokaties zoals het Leidseplein in Amsterdam wordt een flink bedrag aan horeca-ondernemers gevraagd.”

Een ambtenaar van de Amsterdamse afdeling 'precario' moet twee dagen spitten om de cijfers over de hoofdstedelijke terrasinkomsten boven tafel te krijgen. Een behoorlijke vetpot, zo blijkt. Jaarlijks vloeit in Amsterdam bijna negenhonderdduizend gulden van de ruim 1.300 horeca-bazen naar de gemeentekas. Een vierkante meter terras op het Leidse- of Rembrandtsplein kost 117 gulden per seizoen. In 1990 was dat nog vijfenzeventig gulden.

Ook een stad als Maastricht met 185 terrassen, teert flink op zijn terrasvoorzieningen. Volgens binnenstadcoördinator T. Droog zal de stad dit jaar ongeveer 220.000 gulden ontvangen voor terrassen die op gemeentegrond staan uitgestald. Veel meer dan de inkomsten uit de parkeermeters op pleinen in de binnenstad.

Voor zijn woning in de Utrechtse binnenstad zit een man een tijdschrift te lezen. In zijn voortuin (“twee bij anderhalf”) staat een goedkope ligstoel. “Ik zou het stadsleven niet willen missen”, zegt de man. Nog geen zes meter van zijn voordeur begint het terras van een populair Utrechts café. Het terras gaf vooral vroeger veel problemen. Toen zat er een eetcafé, nu een bar.

“De gemeente moet een dik dossier klachten van me hebben.” De ergenissen varieerden van vuilniszakken met etensresten in het halletje (die tegen de voordeur stonden opgetapeld en omvielen); fietsen die de deur blokkeerden; woordenwisselingen met mensen omdat ze hun fiets niet wilden weghalen tot scheldkannonades met de uitbater over geluidoverlast en stank en vechtpartijen met dronken jongens die tegen het huis pisten.

“Op een gegeven moment dacht ik, rot maar op, ik verhuis naar een buitenwijk in Utrecht. Weg van alle ellende, lekker rustig met je eigen tuin, je eigen huis, je eigen muziek en je eigen afval”, vertelt de man. Nog steeds deelt hij niet de vreugde van de hoge bieromzetten met de eigenaar van het café. “Maar wat moet ik in zo'n nieuwe woonwijk, waar iedereen een houten gans voor zijn raam heeft staan? Valt daar werkelijk iets te beleven?”