Maria Pires verjaagt al Beethovens spoken

Concerten: Maria Joao Pires, piano, Augustin Dumay, viool, Jian Wang, cello, Hans Colbers, klarinet. Programma's: Beethoven: Pianosonate's op. 31 nr 2, op. 109, klarinettrio op. 11, Vioolsonate op. 24 ('Frühlingssonate'), Cellosonate op. 5 nr 2, Pianotrio op. 70 nr 1. Gehoord: 15 en 16/7, Concertgebouw, Amsterdam. Radio uitzendingen: 25/7, 1/8 Radio 4.

De meeste grote solisten hebben hun techniek, hun dictie en ook hun programma's grotendeels aangepast aan de grote zalen waarin hun spel massaal wordt geconsumeerd. Carrières beginnen doorgaans in een kleine zaal, volgen dan een lange route via de grote podia om ergens aan de top desgewenst weer terug te keren naar intiemere locaties.

De eminente Portugese pianiste Maria Joao Pires speelde twee avonden kamermuziek van Beethoven in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw en steeds sterker werd het verlangen naar de Kleine Zaal. Want Pires lijkt in geen enkel opzicht op een klavierleeuwin die de middelen aanpast aan het doel en met een uitvergrote techniek het publiek verovert. Met haar intieme spel en haar subtiele klankschakeringen lokt zij de aandacht naar zich toe en gaat hierbij het grote gebaar stelselmatig uit de weg.

Pires' Beethoveninterpretaties waren evenwichtig en elegant, maar onder dat mooi gepolijste oppervlak ging een grote diepte schuil die zich in de Grote Zaal niet geheel prijsgaf. Zo overheerste de indruk van mildheid in beide pianosonates en van sierlijkheid in het klarinettrio, een werk dat wat betreft het gehalte eigenlijk in de huiskamer thuishoort. In de Frühlingssonate maakte violist Augustin Dumay zijn partij ondergeschikt aan de piano en miste men bezieling en diversiteit in de vioolklank.

Nadat er bij het luisteren gaandeweg enige vermoeidheid was opgetreden trok Pires samen met de Chinese cellist Jian Wang een ander register open in de Cellosonate op. 5 nr 2. De direct aansprekende dramatiek van de inleiding en de aanstekelijke gein van de finale werden in duidelijke contouren weergegeven. Na de fenomenale unisono inzet van het Pianotrio op. 70 nr 1, een furieuze spurt naar boven, sloot het glanzende oppervlak zich vervolgens weer, en werden de uitersten in expressie met elkaar verbonden. Zo werden niet alleen de spoken verjaagd uit het Geistertrio, maar ook Beethovens grillige humor en het abrupte van zijn mededelingen.