Kabelexploitant stort veel te veel pretzenders over tv-kijkers uit

Commerciële kabelexploitanten krijgen steeds meer te zeggen over de tv-programma's die zij de kijkers voorschotelen. Dat moet volgens Tom Rooduijn ook leiden tot een specifiekere besteding van het kijk- en luistergeld. De overheid moet meer aandacht schenken aan kwalitatief hoogwaardige programma's en kabelexploitanten stimuleren tot het aanbieden van een afgewogen pakket.

Nu het aantal radio- en tv-zenders dat een plaats op de kabel wil verwerven aanzienlijk groter is dan de meeste kabelnetwerken op dit moment kunnen doorgeven, verplaatst het omroepfront zich langzamerhand van Hilversum en Den Haag naar de gemeenten en hun kabelexploitanten. Het uitgangspunt dat het 'Centraal Antenne Systeem' ooit bood voor de onvangst van een breed, representatief spectrum van wat kan worden ontvangen, is door de huidige schaarste aan transmissiemogelijkheden verlaten. Voor de beloofde verscheidenheid dreigt nu een monocultuur van populair Amerikaans georiënteerd divertissement in de plaats te komen. Nu al worden we geconfronteerd met een aanzienlijk toegenomen aanbod, terwijl een toename van werkelijk interessante programma's uitblijft.

Met het liberalisatie-beleid van staatssecretaris Nuis (OCW), dat de zeggenschap over de distributie van audiovisuele media beoogt te verleggen van de overheid naar de vrije markt, neemt de macht van de kabelexploitant over het pakket dat de kijker en luisteraar uiteindelijk wordt voorgeschoteld fors toe. Het feit dat de mediaconsument nu is overgeleverd aan de betrekkelijke willekeur van de kabelmaatschappij waarop hij is aangesloten geeft te denken. Krijgt hij wel of niet BBC-zenders of TV5 thuis, wordt het MTV, The Box of The Music Factory, komen er Internet-faciliteiten of niet, alles wordt afhankelijk van de ondoorzichtige overwegingen van de plaatselijke kabelmaatschappij.

Typerend voor de nieuwe machtsverhoudingen in het mediaspectrum is de gang van zaken rond het kabelbedrijf van Amsterdam en omstreken, KTA. Nadat het jarenlang als nutsbedrijf fungeerde en niet meer deed dan binnen de marges van de wet doorgeven wat werd aangeboden, ontwikkelt de exploitant zich nu zelf tot abonnee-tv-kanaal ('tv à la carte') voor speel- en pornofilms alsmede multi-media-leverancier, die bovendien wikt en beschikt over het wel of niet distribueren van zenders als Eurosport of MTV. KTA kent tenminste nog een Programmaraad, een terzake min of meer deskundige 'afspiegeling' van de Amsterdamse bevolking, die advies uitbrengt aan de gemeenteraad over wat wel of niet wordt doorgegeven. De vraag is hoeveel de Amsterdamse kijker nog te vertellen heeft over zijn zenderpakket als straks het Nederlands-Amerikaanse consortium A2000 bij KTA de dienst uitmaakt.

In de meeste gevallen zijn de Nederlandse televisiekijkers nog minder betrokken bij de samenstelling van hun programmapakket dan nu in Amsterdam. De wijze waarop gemeenten hun vergunning om een kabelnet te exploiteren uitbesteedden, ooit toegekend door het ministerie van verkeer en waterstaat, verschilt sterk. Sommige brachten hun machtiging onder in een stichting, andere deden die over aan het plaatstelijke energiebedrijf of besteedden de licentie uit aan een commerciële kabelexploitant als de Casema. Dat verklaart het verschil per plaats in het aanbod van zenders (van 10 tot 40 stuks) en abonnementsgelden (van ƒ 10,60 per maand in Gouda tot bijna 30 gulden elders). Alleen de doorgifte van de Nederlandse publieke zenders, de Nederlandstalige Belgische publieke zenders en het lokale en regionale aanbod is wettelijk voorgeschreven. Wat er verder te zien is, wordt op zijn best beslist als hamerstuk in een gemeenteraadsvergadering. De levensvatbaarheid, ofwel de kijkdichtheid van een zender, zal die besluitvorming in toenemende mate beïnvloeden.

In de nieuwe omroepstrijd wreekt zich de spanning tussen de 'kiosk-functie' van de kabelexploitant, zoals van overheidswege gestimuleerd, en de inspraakgedachte waarmee de mediaconsument in de loop der jaren zo vertrouwd is geraakt. Van de invloed op het aanbod die leden van omroepverenigen konden uitoefenen (Vara en VPRO elimineerden als eersten de invloed van de 'vereniging'), verplaatst de zeggenschap zich, hoewel ook hier marginaal, naar belanghebbenden in een regionale of stedelijke gemeenschap.

Heeft, bijvoorbeeld, een bepaalde gemeente een aanzienlijke hoeveelheid Italianen gehuisvest, dan kan die pressie uitoefenen ten faveure van RAI UNO. In Amsterdam zou MTV oorspronkelijk uit het 'basispakket' verdwijnen, maar onder druk van duizenden MTV-aanhangers herzag de programmaraad dat voornemen; van ontvangst van Eurosport kunnen Amsterdammers zich, ondanks een lobby van sportliefhebbers, nu eerst tegen extra betaling verzekeren.

Tal van nieuwe kanalen vragen na de zomer om aandacht, van SBS 6, TV Gold, The Music Factory, The Box en Veronica (van de uit RTL, Endemol en Veronica voortgekomen Holland Media Groep) tot en met The Hallmark Entertainment Network en de om uitbreiding vragende Discovery Channel en Euro 7. Kabelmaatschappijen staan voor de keuze: betalen voor doorgifte, geld ervoor vragen of onderbrengen in een speciaal abonnee-tv-kanaal, waardoor de kijker rechtstreeks met de leverancier afrekent. De eerste optie zal snel uitsterven. De dienstbare kabelexploitanten van weleer zijn ondernemer geworden, sneller dan zij hadden kunnen voorzien. De tv-kijker van de toekomst moet maar hopen dat hij in een gemeente woont waar de kabelexploitant zich bekommert om de vraag of een afgewogen pakket wordt aangeboden.

Volgens de jurist J. van den Breukel, die onlangs promoveerde op het proefschrift Toegang tot de televisiemarkt, zou in het licht van het EG-recht op de kabel zelfs uitsluitend de wet van de vrije markt moeten gelden en zou de overheid aan de kabelexploitant geen enkele beperking of verplichting meer mogen opleggen. Als in dat geval van overheidswege toch de wens bestaat om temidden van alle amusement en infotainment nog iets extra's te doen aan spreiding via de audiovisuele media van cultuur, educatie en informatie, dan moet daar eenvoudigweg voor worden betaald. Nu met de nieuwe golf van pretzenders, die vanaf september over Nederland spoelt, de heffing van kijk- en luistergeld opnieuw aan geloofwaardigheid inboet, zou het mediabeleid zich meer moeten richten op de financiering van wat waardevol wordt geacht, en minder op de zorg voor het omroepmonument.

Die steun kan bestaan uit een aanzienlijke uitbreiding van de financiering van kwalitatief hoogwaardige programmering, zoals nu al via het Stimuleringsfonds gebeurt, bijvoorbeeld te betalen uit de middelen die vrijkomen bij samensmelting van de omroepen per net. Maar omdat televisie zich steeds meer onttrekt aan landsgrenzen, zou de blik van media-beleidsmaker ook verder moeten reiken.

Een voorzichtig begin is al gemaakt met de oprichting van een satellietzender, 'Beste van Nederland' (BVN), een initiatief van NOS, TV Plus en Wereldomroep, dat het visitekaartje voor de Nederlandse publieke omroep in het buitenland moet worden. Omgekeerd zou de overheid de doorgifte moeten stimuleren van wat waardevol is in het buitenlandse aanbod, maar wat commercieel wellicht minder interessant is. Een zender die zeer de moeite waard is, maar in Nederland niet wordt doorgegeven, is Arte. Dit in 1992 begonnen samenwerkingsverband van Duitse en Franse publieke omroepen - in zijn prille bestaan alweer bedreigd doordat in Frankrijk stemmen opgaan de subsidiëring ervan te staken - biedt meer dan alleen kunstprogramma's. Het kanaal vertoont uitstekende films, documentaires, nieuws en actualiteitenprogramma's en heeft twee keer in de week thema-uitzendingen. In Frankrijk worden de Duitstalige programma's in het Frans nagesynchroniseerd, en vice versa.

Arte bewijst op overtuigende wijze dat tv-programma's maken en dagelijks uitzenden gepaard kan gaan met een consequent hanteren van kwalitatief hoogwaardige culturele en journalistieke normen. Het moet technisch mogelijk zijn dit kanaal dagelijks ondertiteld op de Nederlandse kabel te krijgen. Dat kost geld; voor ondertiteling, de afkoop van rechten en waarschijnlijk ook voor de transmissie via de kabelnetten.

Onderzocht zou moeten worden of verspreiding in Nederland in ruil zou kunnen geschieden voor bijvoorbeeld één door de Nederlandse publieke omroep verzorgde Arte-avond per maand. Dat vraagt iets van het initiatief en de flexibiliteit van beleidsbepalers in Den Haag en kabelexploitanten in den lande. Daar staat tegenover dat hier voor niet meer dan een fractie van de jaarlijkse omroepbegroting behalve het beste van Nederland ook het beste van Europa te zien kan zijn.