'Hij zei: pas goed op je kinderen, ze hebben nu geen vader meer'; Serviërs verkleedden zich in uniformen van Nederlandse blauwhelmen

TUZLA, 17 JULI. “Vijf procent van de mensen is gek geworden”, zegt de 46-jarige Hatidza Krluc uit Srebrenica, een paar dagen nadat ze na een week van doodsangst, een afschuwelijke busreis en een voettocht over de frontlijn naar Tuzla is gekomen.

Ze had het goed in Srebrenica, zegt ze. Haar man verdiende aardig als monteur, ze had een groot huis, een mooie auto, bijenkorven, een akker en alle elektronica die een moderne familie zich kon wensen. Maar sinds de Bosnische Serviërs de enclave in 1993 omsingelden en de stroom afsneden was de videorecorder nog slechts decoratie. Haar man verdiende bijna niets meer, zij hield haar kinderen in leven door van kunststof kleren te naaien en haar honing te verkopen.

“Maandagnacht begon het”, zegt Hatidza. “De granaten ontploften rond ons huis. Wij hebben de kinderen uit bed gehaald en zijn naar de andere kant van Srebrenica gevlucht. Dinsdagmorgen gingen we maar weer terug, maar toen schoten de Cetnics opeens van de andere kant. Ik ben met mijn kinderen uit het raam gesprongen en naar de rivier de Bosna gevlucht. Alles wat uit de lucht kon vallen kwam uit de lucht vallen. Regen, kippen, granaten.”

Zo'n 15.000 mensen trokken naar het ziekenhuis. “Want daar was UNPROFOR”, zegt Hatidza. “We verwachtten dat die ons zou beschermen en dat de Serviërs daar niet zouden schieten. Maar zij schoten toch en de militairen zeiden dat we beter naar hun kamp in Potocari konden gaan.” De meeste mannen, onder wie Hatidza's man, besloten de bossen in te vluchten. Hatidza: “Ik denk dat meer dan tienduizend mannen naar de bergen zijn gegaan. En ik heb hier nog niemand teruggezien.” In Potocari lieten de Nederlandse militairen van Dutchbat de vrouwen en kinderen toe in de fabriekshallen.

“De volgende middag kwamen de Serviërs”, zegt haar vroegere buurvrouw, Sevda Habibovic. “Wees u niet bang, zeiden ze. 'We zullen u goed behandelen.' Een Serviër zei tegen me dat we in Srebrenica mochten blijven, dat moslims en Serviërs nu voor altijd in vrede zouden samenleven. Het leek me een eerlijke jongen. Maar er was ook een tv-camera. Ze hadden drie broden die ze in stukken braken en naar de mensen gooiden. We hadden zo'n honger dat we om het brood vochten. En die camera bleef lopen. Smerig, ze wilden laten zien dat wij honden zijn.”

Woensdagnacht werd de zwaarste nacht. Sevda: “In de nacht kwam een groep mannen met blauwe helmen en Nederlandse uniformen met eten langs. Ze wenkten van een afstand een paar vrouwen dat zij moesten komen. Die vrouwen deden dat. Later herkende iemand bij die mannen een Serviër uit zijn oude dorp, maar toen waren die meisjes al weg. Er waren ook Serviërs in burger die meisjes hebben meegenomen die buiten de fabriekshallen sliepen. Wij hebben de hele nacht geschreeuw en gehuil gehoord. De volgende morgen hebben vrouwen die water gingen halen, naakte meisjes zien liggen met doorgesneden keel.”

Dit verhaal wordt door andere vrouwen in andere opvangkampen bevestigd. “Ik ging donderdagochtend een maïsveld in om mijn behoefte te doen”, zegt de bejaarde Ruveljda Hasanovic. “Daar heb ik de lijken van drie naakte meisjes gezien, met doorgesneden keel. En van zeven dode mannen. Tien doden heb ik geteld tussen het maïs. Ze waren niet doodgeschoten, maar gewurgd of doodgestoken. Volgens VN-woordvoerder J. Riepen heeft Dutchbat in Potocari niets gemeld over Nederlanders die hun uniform moesten afstaan, noch van Serviërs in UNPROFOR-uniform. “Maar in de observatieposten hadden ze kleding voor een week bij zich. Die kunnen ze hebben achter gelaten toen ze moesten vluchten.”

Donderdag werden de vrouwen en kinderen in bussen naar de grensplaats Kladanj afgevoerd. Een Serviër kwam vragen waar het goud en de Duitse marken waren. Sevda had haar oorbellen en sieraden in haar sok gestopt, en de soldaat deed geen poging de vrouwen te fouilleren. Sevda: “De blauwhelmen zouden met ons meegaan naar Kladanj. Dat is niet gebeurd. Wel reed er opnieuw een Serviër mee in Nederlands uniform. Onderweg zag ik twintig mannen uit Srebrenica, die de Serviërs in de bossen hadden gevonden. Ze zaten gehurkt met de handen in hun nek en drie vingers omhoog, het gebaar van de Serviërs. De Serviërs hadden hun geweren op hen gericht. Ik durfde niet lang te kijken, ik was bang dat ik mijn broer en mijn man zou zien. Bij Kladanj hebben ze ons uit de bus gezet. Een Serviër zei tegen mij: pas goed op je kinderen. Zij hebben nu geen vader meer.”

De vrouwen huilen. “Wij eten hier beter dan in Srebrenica”, zegt Sevda. “De mannen van UNPROFOR zijn aardig, veel Nederlanders waren ook geen slechte jongens. Maar zij hebben onze mannen ontwapend en laten ze nu sterven. En zonder onze mannen gaan we liever dood.”

Intussen is de verzorging van de meer dan twintigduizend uit Srebrenica verdreven moslims in en rond Tuzla sterk verbeterd. “Het gaat goed. Eindelijk is er wat organisatie”, zegt Miro, leider van het opvangcentrum in het stadje Banovici. Zijn gezicht is asgrauw van twee dagen onafgebroken werk.

In de sporthal van Banovici hebben duizenden vluchtelingen zich tussen de handbaldoelen genesteld. De temperatuur is boven de veertig graden, de lucht verzadigd van de geur van ongewassen lichamen. Overal hangt wasgoed en kinderen spelen op een vuilnishoop voor de ingang. Maar Miro is tevreden, want vrijdagnacht was het wel anders. Toen reed bus na bus met kinderen, bejaarden en vrouwen met bloemenjurken en hoofddoeken voor. Een oud mannetje zat op de stoep te braken. Kinderen huilden of keken met een starre blik in de verte. Een bejaarde vrouw werd per brancard afgevoerd, zomaar ergens neergezet en bijna overreden door een truck. Twee peuters lagen te slapen, met beide ogen open. En soldaten van het Pakistaanse bataljon liepen met emmers sinaasappelsap heen en weer, no problem mompelend, alsof ze daarmee de heksenketel konden bezweren.

Maar een dag later lijkt op de luchthaven van Tuzla waar de Bosnische regering de vluchtelingen uit Srebrenica aanvankelijk dumpte, het ergste leed geleden. Vanaf vrijdagmiddag zijn 11.000 vluchtelingen, die de nacht daarvoor onder de blote hemel sliepen, afgevoerd naar vijf verzamelcentra rond Tuzla. Binnen enkele dagen is er langs de volle lengte van de landingsbaan een kamp van bedoeïenententen opgezet, met om de dertig meter een watertank. Artsen zonder Grenzen, Islamic Relieve, Norwegian Church Aid, Equilibre: de hulporganisaties rennen en rijden zonder enige coördinatie over de landingsbaan heen en weer. Maar de goederen stromen binnen. “Tot dusver heb ik berichten van tien mensen die door uitdroging zijn gestorven”, zegt woordvoerder F. del Mundo van UNHCR. “En een vrouw heeft zich opgehangen naast de toegangspoort.” En vijfduizend nieuwe vluchtelingen uit de enclave Zepa? “No problem”, zegt Del Mundo.

Bij de hoofdingang tonen de Zweedse blauwhelmen van Norbat sporen van overspanning. Zij moesten sinds donderdag alleen de vluchtelingen opvangen en hebben dagenlang zonder slaap doorgewerkt. Er ontstaat een felle ruzie, als een Amerikaanse majoor met vier bussen vluchtelingen de hoofdingang blokkeert. Volgens afspraak mogen ze alleen via de zij-ingang binnen, maar de Amerikaan neemt daarmee geen genoegen. “Jullie Zweden behandelen ze als beesten”, schreeuwt hij. “Ik ben al 48 uur aan het werk. Ik word doodziek van mensen die zeggen dat we niks doen”, brult zijn tegenspeler, de Zweedse kapitein Mannson.

De Amerikaan wint het pleit ten slotte, zijn bussen mogen door. Sommige inzittenden blijken jonge mannen, en dat is nog niet eerder vertoond. “Straks neemt hij alle armen van Tuzla mee, die hopen dat UNHCR ze voedt en ze dan naar Europa vliegt”, mompelt de Zweed. “Net wat we nodig hebben.”

Intussen golven de geruchten over het vliegveld. Hoe is het met de mannen die door de Serviërs zijn meegevoerd naar Bratunac, of met de duizenden die de bossen zijn ingetrokken? De Serviërs schieten hen met tientallen tegelijk neer, weet de een. Ze krijgen dodelijke injecties, zegt een ander. Een cameraploeg van de NOS wordt aangevallen als men na tien minuten het filmen van een menigte huilende vrouwen onderbreekt. Angst en verdriet slaan om in agressie, de ploeg springt een rijdende auto in terwijl zij worden bekogeld met grapefruits die zo net door hulpverleners zijn uitgedeeld.

    • Coen van Zwol