AFZIEN OP HET DAK VAN DE TOUR

In de koninginnerit van de Tour de France rijden de coureurs morgen over drie gevreesde Pyreneeëncols: de Peyresourde, de Aspin en de Tourmalet. De laatste klim is met 2.114 meter het hoogste punt van de Ronde. “De Tourmalet is de Tourmalet”, zegt Joop Zoetemelk.

De Alpen zijn de Pyreneeën niet. Voor elke wielrenner bestaat er een verschil tussen de twee gebergten. De droge lucht en de betere wegen in de Alpen worden door de meeste renners als een voordeel beschouwd. De Pyreneeën zijn gluiperiger, sprak Peter Winnen meer dan tien jaar geleden. In dat geval is de Tourmalet de meest gluiperige col van de Pyreneeën.

De wegen zijn breed, maar ze variëren in steilheid. Daardoor komen de renners op de Tourmalet veel moeilijker in het vereiste ritme dan bijvoorbeeld op de klim naar Alpe d'Huez. Bovendien is het in de Pyreneeën meestal veel vochtiger dan in de Alpen. “Als het asfalt kleeft, blijven de banden plakken. Dat maakt de Tourmalet extra zwaar”, zegt de voormalige Tourwinnaar Stephen Roche. “In de Alpen heb je meer lucht.” Een bijkomend nadeel zijn de veranderlijke weersomstandigheden. Hitte, mist en koude wisselen elkaar in de Pyreneeën op de meest onvoorspelbare momenten af.

De Tourmalet is dit jaar het hoogste punt in de Ronde, in het wielerjargon ook wel Het Dak van de Tour geheten. De beroemde col is met zijn 2.114 meter minder hoog dan de Galibier, die 2.645 meter boven de zeespiegel ligt. De gevreesde Alpencol draagt echter minder historie dan de Tourmalet. De aardigste anecdotes worden niet in de Alpen, maar in de Pyreneeën opgetekend.

De Ronde van Frankrijk kenmerkte zich vanaf haar ontstaan in 1903 door lange en vrij vlakke etappes. Tot 1910 was de Tourmalet niet meer dan een doorgangsweg voor Franse en Spaanse handelaren. Enkele beklimmingen in de Vogezen werden gevreesd, het hooggebergte behoorde nog niet tot het routeschema. Volgens een artikel in Wielerrevue hield de legendarische Tourdirecteur Henri Desgrange zijn hart vast bij elke onzekerheid. Als het aan hem had gelegen, had de Tourmalet nooit bestaan.

Desgrange werd overtuigd door zijn kwartiermaker Alphons Steines, die in het voorjaar van 1910 zijn baas een voorstel deed. Hij wilde meer sensatie door de renners over de Pyreneeëncols te laten rijden. Desgrange stemde toe, maar niet voordat Steines een proefrit over het smalle bergpad had gemaakt. De auto van Steines smoorde in de sneeuw, waarna de vastbesloten kwartiermaker de beklimming wandelend voortzette. Een paar uur later struikelde hij van vermoeidheid. Zijn val werd gesmoord door enkele rotsblokken. Steines werd door een attente schaapherder naar beneden gereden. Eenmaal opgelapt, bracht hij een positief verslag uit van de Tourmalet. En ging Desgranges door de knieën.

Van de 136 ingeschreven renners besloten in 1910 26 coureurs de Tour reeds voor de start te verlaten, uit protest tegen het zware programma. Desgrange was zo geschrokken van de negatieve reacties dat hij besloot een bezemwagen in te voeren. Niet om gestrande coureurs mee te nemen, maar om te controleren of de renners alle cols keurig zouden bestijgen. Om de deelnemers extra aan te moedigen, besloot Desgrange verder een premie uit te loven voor degene die per fiets de Tourmalet zou bedwingen. Gustave Garrogou wist als enige renner in het zadel de col te beklimmen.

Het geld was niet weggelegd voor Octave Lapize, die de Tourmalet met de fiets aan de hand als eerste beklom. Lapize noemde de Tourdirecteur een moordenaar, toen hij doodvermoeid de top passeerde. Hij dreigde met afstappen, maar werd door zijn helpers op andere gedachten gebracht. Een paar weken later werd hij in Parijs gehuldigd als Tourwinnaar.

Drie jaar later werd Eugène Christophe bijgeschreven in de annalen van de Tourmalet. De Fransman leek aan de winnende hand in de afdaling, maar door een kapotte voorvork moest hij lopend de weg naar beneden vervolgen. Aangezien de renners hun rijwiel in die periode nog zelf moesten repareren, werd Christophe gedwongen een dorpssmid op te zoeken. Volgens een van de vele oude verhalen over de Tourmalet, moest de smid zelfs uit zijn slaap worden gehaald.

Wakker of niet, de smid hielp de wielrenner aan het gereedschap om de vork te herstellen. Christophe kwam handen tekort in de werkplaats en kreeg van de toeziende wedstrijdcommissaris toestemming een hulpje in te huren voor de bediening van de blaasgalg. Desgrange gaf Christophe een minuut straftijd voor deze onreglementaire handeling. Onder luid applaus vervolgde Christophe na anderhalf uur zijn wedstrijd. In Parijs zou hij genoegen moeten nemen met een zevende plaats, maar door de heldhaftige daad in de Pyreneeën was hij populairder dan Tourwinnaar Thys.

Een andere memorabele prestatie op de Tourmalet werd geleverd door Eddy Merckx. In 1969 was de Belgische kopman van de Faema-ploeg zo kwaad dat zijn gedemarreerde ploeggenoot Martin van den Bossche tijdens de Tour voor een andere sponsor had gekozen, dat hij zijn helper als een hulpeloze knecht achterliet in de afdaling. De woede-uitval van Merckx leidde tot een solotocht van 140 kilometer. Bij de finish had De Kannibaal acht minuten tijdwinst op zijn Franse concurrenten Pingeon en Poulidor. De Tour was definitief beslist.

Nog nooit heeft een Nederlandse coureur de Tourmalet als eerste gepasseerd. In de gloriejaren van Joop Zoetemelk en Hennie Kuiper vormden de Pyreneeën zelden een hoogtepunt voor de Oranje-renners. Zoetemelk: “Ik heb er geloof ik nooit gewonnen. Voor mij waren het in de Tour allemaal lastige bergen. De Tourmalet was niet lastiger dan Alpe d'Huez. Alleen reed ik aan het eind van de Tour altijd beter dan in het begin. En de Alpen kwamen meestal aan het eind.”

Ook Steven Rooks en Gert-Jan Theunisse waren in de Alpen op hun sterkst. Daar stonden de meeste Nederlandse vakantiegangers, met hun kolderieke uitdossingen en hun enthousiaste aanmoedigingen. Zoetemelks Belgische tijdgenoot Lucien van Impe kwam drie maal als eerste boven op de Tourmalet. De Spanjaard Federico Bahamontes, bijgenaamd De Adelaar van Toledo, was vier maal de snelste en is daarmee recordhouder.

In de Pyreneeën staan vooral heel veel Baskische fans, die hun held Miguel Indurain naar boven schreeuwen. Hoewel El Rey zichzelf niet wil associëren met het Baskische volk, heeft Indurain een sterke band met de Pyreneeën. De Tourmalet vormde in 1991 de basis voor zijn eerste Tourzege. In het spoor van de ontketende Italiaan Claudio Chiappucci nam Indurain een belangrijke voorsprong op zijn rivaal Greg Lemond. Aan de hegemonie van de Amerikaan kwam op de Tourmalet een einde.

Dit jaar vormen de Pyreneeën het afsluitende gedeelte van de bergetappes. Daardoor is de koninginnerit van morgen een extra zware beproeving. De renners zijn vermoeid na twee weken fietsen, daar kan de rustdag van vandaag weinig aan veranderen. De meeste coureurs willen naar huis. En de zwakkeren in het peloton vrezen de Peyresourde, de Aspin en vooral de Tourmalet. Ze hopen dat de achterstand op de ritwinnaar niet te groot wordt, anders moeten ze onvrijwillig naar huis wegens het overschrijden van de tijdslimiet.

Vorig jaar was de Fransman Richard Virenque de grote smaakmaker, toen hij op de Tourmalet demarreerde en in de finishplaats Luz Ardiden een zwaarbevochten overwinning kon vieren. Virenque beklom de gevreesde col uit noordoostelijke richting. Hij moest zeventien kilometer klimmen, met een gemiddeld stijgingspercentage van 7.4.

Morgen wordt de Tourmalet in zuidwestelijke richting bestegen. De renners moeten bijna achttien kilometer klimmen, met een stijgingspercentage van 8.2. Maar het is de vraag of de deelnemers de nuances in hun geheugen hebben geprent. In de buurt van de top lijkt elke meter op elkaar. De wegen zijn overal even breed en overal even gluiperig. Als het peloton de boomgrens heeft gepasseerd, resteren een paar grazende koeien en een paar verkleumde toeschouwers. “De Tourmalet is de Tourmalet”, zegt Joop Zoetemelk.