Wiskunde B-examen

Het betoog van de heer Bomhoff (NRC Handelsblad, 3 juli) vráágt om een reactie. Mijn opmerkingen betreffen dàt deel van zijn betoog dat handelt over de - zoals hij dat noemt - ondermaatse vertoning bij het wiskunde B-examen.

Bomhoff komt, zo lijkt het, tot zijn oordeel omdat 35 wiskundeleraren uit de (regio) Rotterdam een brandbrief aan het ministerie hebben geschreven over het “veel te moeilijke wiskunde B-examen”. Uit zijn artikel blijkt nergens dat hij dit examen zelf aan een zorgvuldige analyse heeft onderworpen en vermoedelijk is hij daar ook niet toe in staat.

Immers voor een juist oordeel zou men niet alleen de stof moeten beheersen, maar moet men óók op de hoogte zijn van de leergang zoals die gevolgd moet worden in de laatste twee leerjaren van het VWO. Ook is het van belang om te weten hoe de leerling door de boeken geleid wordt en hoe deze de nodige examentraining verkrijgt.

Gaat men - zoals ondergetekende - met enkele van genoemde 35 in discussie over hun bezwaren (zoals daar zijn: routineopgaven ontbraken, alle sommen waren gericht op inzicht en inventiviteit, te omvangrijk, te gecompliceerd en soms slordig gesteld), dan blijft er van de kritiek niet veel overeind. Het eind van dit soort gesprekken is altijd: “Ja, maar er zijn zoveel onvoldoenden gevallen!”

Nu zijn er nogal wat redenen aan te wijzen waarom dit laatste het geval is en één ervan is dat er nog altijd teveel leerlingen zijn die wiskunde kiezen en daarvoor de capaciteiten missen.

Dit brengt mij op een ander deel van het betoog van Bomhoff, namelijk zijn bezorgdheid dat nòg minder leerlingen wiskunde B zullen gaan kiezen. Mijn stelling is dat leerlingen vooral moeten worden aangemoedigd om wiskundevakken te kiezen wanneer ze daarvoor de capaciteiten hebben. Dàt lijkt me het eigenbelang van de leerling. De eisen die de wiskunde stelt aan VWO-kandidaten liggen vrij hoog en het bewaken van dit peil is een van de taken van het CEVO. Een ieder die de centrale eindexamens van de laatste eindexamens bekijkt, en verstand van zaken heeft, kan zien dat zij die taak goed uitvoert. Dankzij deze eisen wordt ondermeer voorkomen dat een bij voorbaat tot mislukken gedoemde studie wiskunde en/of informatica wordt begonnen.

Een vergelijking, zoals door Bomhoff gemaakt, over wiskunde in het pakket en later te verdienen salarissen, en dan nog wel in de Amerikaanse situatie, gaat mank. Een van de redenen is dat wiskunde op de modale Amerikaanse highschool heel wat gemakkelijker te kiezen is dan in Nederland, het peil is namelijk vrij laag.

Wat het niveau van het Nederlandse wiskunde onderwijs betreft: herhaalde OESO-rapporten wijzen erop dat dit tot het beste ter wereld behoort, zo het al niet het beste is, en, zoals gezegd, het CEVO heeft daar in niet geringe mate toe bijgedragen.