Vorst der Belgen

LUC NEUCKERMANS en POL VAN DEN DRIESSCHE: Albert, koning na Boudewijn

120 blz., Van Halewyck 1995, ƒ 33,75

Koppigheid was altijd al een waarmerk van de Saksen-Coburgs, van de koningen der Belgen. Leopold II ging het liefst zijn eigen gang in Midden-Afrika. Leopold III trok zich tijdens de Duitse bezetting niet veel aan van het Belgische kabinet in Londen en Boudewijn ging dwarsliggen bij de abortuswet in 1990. Premier Wilfried Martens drong er een jaar lang bij hem op aan de wet te tekenen, prominente politici spraken in de tuinen van Laken op hem in. Het hielp niet. Boudewijn trad anderhalve dag terug wegens de 'morele onmogelijkheid' om te tekenen.

Zijn opvolger, koning Albert II, probeerde dit dilemma te vermijden. Hij ziet al homo-huwelijken en euthanasie in wetsvorm op zich afkomen. Het kabinet van eerste minister Jean-Luc Dehaene zocht een vorm waarin de koning 'morele bezwaren' tot uiting kon brengen: de persoonlijke noot. De koning zou tekenen als instelling, maar afstand nemen als persoon. Deze vernuftige constructie ging niet door wegens de vervroegde verkiezingen van 21 mei. Albert was ontstemd. Uit protest ging hij met vakantie naar Châteauneuf-de-Grasse. De wet die leidde tot ontbinding van Kamer en Senaat liet hij per koerier nabezorgen. De koning tekende aan de Franse Azurenkust.

In Albert, koning na Boudewijn geven de auteurs, Pol van den Driessche en Luc Neuckermans, aan hoe moreel leiderschap een vorstenhuis in problemen brengt. De vorst ziet zich als de beschermheer van de ethische waarden, want het politieke milieu beperkt zich naar zijn mening tot het verzetten van punten en komma's in de wetgeving en het kabinet legt zich toe op boekhouden. Er is een 'normatief vacuüm' dat een koningshuis opvult met morele uitspraken.

Voor een vorstenhuis is dat niet ongewoon. Koningin Beatrix deed dit in haar toespraak tot de Knesset, het Israelische parlement, waarin ze het verzetsverleden van Nederland wat relativeerde. Haar uitspraak werkte ontnuchterend op een collectief zelfbeeld dat deels was gebaseerd op zelfbedrog: Nederland was immers niet het land van louter verzetshelden. Wel opvallend was dat het staatshoofd deze mythe doorprikte. Ook haar uitspraak op 5 mei over de vreemdelingenangst had een politieke angel. Zij wekte de indruk het eens te zijn met de critici van VVD-leider Frits Bolkestein die dit onderwerp op de politieke agenda zette. Kortom: de koningin komt al snel in partijpolitiek vaarwater als zij politiek bedrijft buiten haar traditionele taak in de kabinetsformatie.

Paniek

De politieke rol van het Belgische vorstenhuis is groter dan die van het Nederlandse. De twee (Vlaamse) auteurs geven aan hoe het staatsrecht daarbij in de knel kan komen. De titel van hun boek is begrijpelijk: de rol van Albert is niet denkbaar zonder de schaduw van zijn broer. Vooral het eerste hoofdstuk (de reconstructie na het overlijden van Boudewijn) en het laatste (de koninklijke gewetensnood) spreken het meest tot de verbeelding. In het tussenstuk is soms veel tussen de regels te lezen, terwijl het portret van Albert voorzichtig is. Het was kennelijk de prijs die werd betaald voor de 'passieve instemming' van het Hof en entourage om de nodige achtergrondgesprekken te voeren.

Eind juli 1993 overleed Boudewijn in het Spaanse Motril aan een hartkwaal. Dehaene keek die avond op de voetbaltribune in Brugge naar de verrichtingen van 'Club' tegen Barcelona. Hij kon de wedstrijd niet voortijdig verlaten, omdat dit zou leiden tot geruchten over de koers van de Belgische frank die onder druk stond. In de nacht kwam het kabinet bijeen. Er was een zekere paniek - niemand wist wat er moest gebeuren. Dehaene haalde de archiefstukken uit de kast over de begrafenis van Albert I in 1934. In augustus 1993 werd dus het draaiboek uit 1934 gebruikt.

Over de opvolging van Boudewijn besliste het kabinet nog diezelfde nacht. “We hebben Albert nodig”, zei socialistenleider Louis Tobback, die hiermee als kingmaker optrad. Alberts zoon Filip was te jong, onervaren en ongehuwd. “Hij kan het niet”, zei een hofmaarschalk ooit over hem. Hij zou ook “te weinig belangstelling” hebben voor het vrouwelijke geslacht. Waarschijnlijk zal niet Filip maar Astrid, gehuwd met een Habsburger en moeder van enkele kinderen, Albert II opvolgen.

Het interessantste aspect van het boek betreft echter de politieke rol van het Hof. De Saksen-Coburgs zien zich als de beschermheren van de ethiek, het katholieke geloof en de eenheid van België. Het Hof, dat is de koning met zijn entourage, geeft met een zekere regelmaat 'vingerwijzingen' aan de politieke leiders.

De koninklijke omgeving is niet bijster groot. Kabinetschef Jacques van Ypersele de Strihou was jarenlang werkzaam op kabinetten van christen-democratische en liberale ministers. Hij is de toegangspoort tot het staatshoofd. En de adjunct-kabinetschef is de Vlaming Jan Grauls, een voormalig eerste secretaris op de Belgische ambassade in de VS. Hij wordt ook wel de 'excuus-Vlaming' genoemd aan het overigens Franstalig getinte Hof. De koning heeft een woordvoerder (afkomstig van het ministerie van buitenlandse zaken) en voorts nog enkele adviseurs.

Het moreel toezicht uit Laken gaat ver. De weigering van Boudewijn om de abortuswet te ondertekenen was zijn laatste redmiddel van politieke beïnvloeding. In 1993 riep hij de Vlaamse minister-president Luc van den Brande op het matje omdat deze had verklaard dat België een 'confederale staat' zou worden. Boudewijn was huiverig voor federalisering. Hij zag dit als gevaar voor de eenheid: de 'federale staat' was voor hem de limiet.

Audiënties

Doorgaans werkt het Hof subtieler, via audiënties. De premier is de eerste politieke raadgever van de koning. Net als in Nederland spreken premier en staatshoofd elkaar op maandagochtend. Albert II ontvangt regelmatig andere ministers, de partijvoorzitters en tevens de bewindslieden van de deelstaatregeringen. Boudewijn drukte de politieke klasse zijn persoonlijke wensen op het hart. “U moet daar een wet over maken”, placht hij te zeggen. “U moet het christelijke gehalte van uw partij flink op peil houden”, kregen CVP-voorzitters steevast te horen.

Albert II gaat minder ver dan Boudewijn, en is bovendien minder bevreesd dat de federalisering van België leidt tot separatisme. Hij was vorig jaar op het Guldensporenfeest in Brugge, op de Vlaamse feestdag, en zong zelfs 'de Vlaamse Leeuw' mee. Maar de politiek van 'morele vingerwijzingen' zet hij wel voort. Hij ontving onlangs Patty Sörensen, de Antwerpse schepen, die tegen de oprichting van een eroscentrum strijdt. Daarmee gaf hij het signaal dat Sörensen steun van de politieke top moet krijgen. Het project van de, overigens Nederlandse, seksbaron is inmiddels van de baan. In de verkiezingscampagne sprak Albert zich, op staatsbezoek in Denemarken, uit tegen splitsing tussen Vlaanderen en Wallonië van de sociale zekerheid. De koning stuurde zo een 'rappel' aan de politici.

Compromis

De conservatief-katholieke waardenleer ligt aan de basis van de morele rol van het Hof, dat goede banden met het Vaticaan onderhoudt. Het Hof is de trouwste dienaar van Rome in Noordwest-Europa. Dit is een curieus element omdat de meeste Belgische koningen amper gelovig waren, of vaak vrijzinnig. Sommigen beweren dat koningin Fabiola, de echtgenote van Boudewijn en Spaanse van afkomst, 'Opus Dei' introduceerde. Maar het Hof put uit de Charismatische Vernieuwingsbeweging, een spirituele groepering met een conservatieve inslag, die enigszins lijkt op de Pinkstergemeente. De Boudewijn-begrafenis leek meer op een kleurrijke vertoning van de Charismatici dan het strakke van 'Opus Dei'. Laken is voor de paus een 'ideaalhof', een vorstenhuis dat katholieke dogma's op het politieke circuit projecteert. De auteurs gaan helaas niet in op de vraag of het moreel gezag van het Hof niet eerder wordt verzwakt dan versterkt, indien het zich profileert als filiaal van het Vaticaan.

Het vorstenhuis gebruikt zijn morele gezag om de politieke agenda te bepalen en het weet een 'morele houding' over te planten op politici. Wie een audiëntie bij de koning heeft gehad, voelt iets 'bijzonders'. Bezoekers zijn doorgaans onder de indruk. Het was ook deze 'koningssfeer' die ertoe leidde dat het Hof het kabinet-Dehaene ervan kon overtuigen een speciale regeling te maken waarbij de koning zich kon distantiëren van 'onzedige wetten'.

Van den Driessche en Neuckermans geven precies aan waar de morele rol met het staatsrecht in conflict komt. Voor de koning werd de bekrachtigingsformule aangepast, zodat hij in geval van fundamenteel-ethische kwesties zijn persoonlijke overweging kon toevoegen. Instelling en persoon werden zo gescheiden, de ministeriële verantwoordelijkheid daarbij uitgehold.

De partijvoorzitters, de 'machtspilaren' in de Belgische politiek, werden verplicht geen ophef te maken over deze kwestie. Zij moesten de achterban desnoods met harde hand koest houden. Het parlement moest zwijgen, om niemand in verlegenheid te brengen. In alle opzichten een 'Belgisch compromis': gecompliceerd en onwerkbaar.

Het plan lekte (opzettelijk) voortijdig uit en was daarmee van de baan. Opmerkelijk zijn de politieke naïviteit van het Hof en de gevoeligheid van de politieke top voor de zachte dwang uit Laken. De wetsconstructie zou de monarchie eerder in gevaar hebben gebracht dan gered. Maar het 'normatieve deficiet' blijft. Albert vreest te worden ingeklemd tussen de druk van het moreel leiderschap en de politieke realiteit van België. Het boek stelt de legitieme vraag of de politici het 'morele leiderschap' wel moeten overlaten aan vorstenhuizen, die van nature beschermd leven en kwetsbaar blijken als zij het partijgewoel betreden. De (pijnlijke) ervaringen in België zijn voor Nederland niet minder leerzaam.

    • Derk-Jan Eppink