'Sovjet'-kunstenaar Ilja Kabakov zoekt zijn publiek in het Westen; Medelijden opgewekt door mistroostige vorken

Tentoonstelling: C'est ici que nous vivons. Parijs, Centre Pompidou. T/m 3 sept. Ma en wo t/m vr 12-22u, za-zo 10-22u. Publikatie: Ilya Kabakov, Installations 1983-1995. Uitg. Centre Georges Pompidou, 259 blz. Prijs 300 ff.

Medelijden is, net als jaloezie, geen emotie die hoog aangeschreven staat. Degene voor wie het bestemd is, wil het meestal liever niet weten, en degene die het voelt beschouwt het als iets sentimenteels waar hij zo snel mogelijk vanaf moet - door er niet meer aan te denken of door te helpen de oorzaak weg te nemen.

Toch is medelijden de eerste emotie die Ilja Kabakov oproept met zijn installatie Hier leven wij (C'est ici que nous vivons), die deze zomer in het Centre Pompidou in Parijs te zien is; medelijden met de mensen die tussen de de door Kabakov verzamelde spullen hun leven sleten, die moesten zitten op een bank die in zijn lange bestaan van bruin grijs is geworden of van grijs bruin, nooit een andere kleur, die moesten eten van kapotte borden en die hun dressoir versieren met zelfgeknipte papieren kleedjes. Kamer na kamer gaat dat zo door in Parijs: mistroostige vorken, bleke ansichtkaarten, mottige knuffeldieren, niets is nieuw, niets is mooi, niets is heel.

Hier leven wij is de 69ste installatie die Kabakov (Dnjepropetrovsk, 1933), een Rus die zijn publiek uitsluitend in het Westen zoekt, sinds 1983 heeft gemaakt. Kabakov heeft slechts twee onderwerpen, de beeldende kunst en het leven van de homo sovieticus, maar beide zijn zo veelomvattend dat hij er nog tot in de lengte der dagen installaties over kan maken. Van ontwikkeling is in zijn werk sinds 1988 geen sprake meer, met dezelfde middelen varieert hij steeds op hetzelfde thema. Saai of eentonig worden zijn installaties echter nooit.

Hier leven wij is net als Het grote archief, dat hij in 1993 voor het Stedelijk Museum in Amsterdam maakte, onderdeel van Kabakovs reeks over de Sovjet-wereld. In de Amsterdamse installatie behandelde Kabakov de bureaucratie. Hier leven wij is een iets vagere rubriek; maar het bordje voor de ingang van de installatie laat aan duidelijkheid niets te wensen over: 'Het gaat om een utopisch monument voor de Twintigste eeuw, over de constructie van het communisme in één land'.

Op de begane grond van het Pompidou heeft Kabakov een houten schutting laten optrekken. Daarbinnen bevindt zich een rommelige bouwplaats. Vijf enorme betonnen zuilen staan al in de steigers. Ervoor staat, zoals vaak op een bouwplaats, een afbeelding van het eindresultaat, een juichend 'Paleis van de toekomst'. Daaromheen is een groot aantal bouwketen gegroepeerd, die echter niet als tijdelijke behuizing van de arbeiders dienen. De bouw van het paleis is al lang geleden gestrand. De keten zijn in gebruik genomen als woningen; de bouwplaats is veranderd in een stad.

De installaties van Kabakov zijn nooit moeilijk te duiden: het utopische monument is nooit afgekomen, maar de mens leeft onder alle omstandigheden gewoon voort.

Het Centre Pompidou pocht dat Hier leven wij de grootste installatie is die Kabakov tot nu toe gemaakt heeft. Iets anders om op te pochen heeft het centrum ook niet; Kabakov is een van de populairste kunstenaars van de afgelopen vijf jaar en stelde al in de hele westerse wereld tentoon, van New York tot Venetië en van Helsinki tot Johannesburg. Wel bijzonder is het boek dat bij de expositie verscheen. Daarin beschrijft Kabakov zelf, heel uitzonderlijk voor een kunstenaar, uitgebreid alle installaties die hij tot nu toe maakte, inclusief Hier leven wij. Kabakov vertelt leuke, ijdele anekdotes, bijvoorbeeld over zijn deelneming in 1992 aan de door Jan Hoet georganiseerde Documenta, maar hij geeft ook inzicht in het karakter van zijn werk.

Kabakov wordt vaak verweten dat zijn installaties niet in het museum thuishoren. Het zouden spookhuizen zijn, waarin de verwende westerling eens lekker kan gruwelen. Inderdaad is, behalve medelijden, ook afschuw een emotie waar Kabakov op uit is. Zelfs de verveling schuwt hij niet om duidelijk te maken hoe het was om in de sovjet-wereld te leven. Over de installatie De tien personages (1988) schrijft hij bijvoorbeeld: 'De sfeer, zwaar en gedrukt, is die van een gemeenschappelijk appartement. (-) De toeschouwer heeft meteen zin om weg te gaan. Maar, als hij alle teksten heeft gelezen en doorgedrongen is in de essentie van de projecten en de dromen van elk personage, begrijpt hij dat de bewoners slechts één verlangen hebben: dit trieste, wanhopige universum verlaten.

Toch is De tien personages in zekere zin een vrolijkere installatie dan Hier leven wij. In de oudere installatie laat Kabakov de bewoners van het appartement daadwerkelijk pogingen doen om aan het Sovjet-universum te ontsnappen, al was het maar door een vlucht in de fantasie. In Hier leven wij is ook deze vluchtroute afgesneden. In de kelder van het Pompidou laat Kabakov zien dat zelfs kunst in een totalitaire maatschappij geen ontsnapping biedt, de officiële kunst althans niet. In de kelder creëerde hij in drie bouwketen een soort bioscoopjes. Op de plaats van het witte doek hangt telkens een grof geschilderd socialistisch realistisch schilderij dat respectievelijk een bouwvakker op een stellage, een moderne vleugelboot op een rivier en een paar in gebloemde omslagdoeken gehulde vrouwen in een bos laat zien. Uit luidsprekers schalt muziek die bij de schilderijen past (helaas kunnen alleen zij die het Russisch machtig zijn dat horen). Het is muziek vol romantische en communistische idealen, geschreven om het volk daar te krijgen waar de machthebbers het hebben wilde. Maar de muziek is toch mooi, zoals ook een reclamedeuntje bij toeval mooi kan zijn. Het zijn populaire deuntjes uit Kabakovs jeugdjaren - de kunstenaar moet er ondanks alles uit weemoed voor gekozen hebben. Zo ligt er ook over de spullen die Kabakov tentoonstelt een liefdevolle glans.

De Sovjet-Unie bestaat niet meer; de wereld die Kabakov oproept is aan het verdwijnen. Waarschijnlijk is het niet overal altijd zo erg geweest als Kabakov suggereert, maar om zijn boodschap over te brengen is enige overdrijving wel geoorloofd. In het boek laat Kabakov de mogelijkheid open dat de installatie niet alleen over Rusland gaat, maar, wie weet over de hele wereld. Zijn materiaal verzamelt hij ook niet meer in Rusland, ook in het westen struint hij rommelmarkten af en plundert de pakhuizen van het Leger des heils.

Toch is het niet dat wat Kabakovs installaties universeel maakt, want dat waren ze al toen ze alleen nog over de Sovjet-Unie gingen. Het land dat hij oproept dijt in het hoofd van de beschouwer altijd ver uit, tot het de hele wereld omvat. Het aanvankelijke medelijden slaat na verloop van tijd om in zelfmedelijden; de homo sovieticus wordt de homo sapiens. Daardoor zijn de installaties van Kabakov bijna onverdragelijk: het doet er niet meer toe of het kopje kapot is of heel, het bed hard of zacht en de rasp scherp of versleten; het gaat erom dat iedereen tot in de eeuwigheid moet drinken en slapen en wortels raspen; ontsnappen is onmogelijk.