Neen tegen Rome

ERIK BORGMAN, BERT VAN DIJK en THEO SALEMINK(red.): Katholieken in de moderne tijd. Een onderzoek naar de Acht Mei Beweging

235 blz., De Horstink 1995, ƒ 39,90

In 1985 bezocht paus Johannes Paulus II ons land, en sedertdien drukt de rooms-katholieke kerk in Nederland een Acht Mei beweging - genoemd naar de datum van het hoog bezoek - aan haar boezem, volgens sommigen een adder, maar voor anderen een vogeltje dat op de Geest lijkt. Bisschoppen meden de beweging tot voor kort (dit jaar waren er voor het eerst twee uit hun midden tegenwoordig) en daarmee is een kernprobleem van de Acht Mei Beweging geraakt: ze is geboren uit een krachtig 'neen' tegen het Romeinse gezag; ontleent haar legitimatie als het ware aan het verzet daartegen. Dat is het dan ook wat - tot nu toe - zowel de stimulerende kracht van de Acht Mei Beweging is geweest als de noemer waaronder zich een brede uitwaaiering van ideeën en stromingen in de rooms-katholieke kerkprovincie van Nederland verenigde. 'Zich verenigen' is dus net de vraag. Want wat houdt de Acht Mei Beweging bij elkaar behalve dan de rebellie tegen Rome? Op die vraag geeft Katholieken in de moderne tijd. Een onderzoek naar de Acht Mei Beweging geen antwoord.

Denktank

Het is gevuld door een keur van scribenten, de denktank van de Acht Mei beweging, zeg maar. Er staan prima opstellen in. Maar ze gaan voor het merendeel op in een analyse van de situatie waarin de rooms-katholieke kerk in ons land zich bevindt en in adviezen om ermee om te gaan zonder als kerkgemeenschap in de lucht te vliegen. Dat laatste is een dreigende mogelijkheid, gezien het feit dat gezagsverhoudingen nu eenmaal constitutief zijn voor het kerkbegrip van de rooms-katholieke kerk. Als de Acht Mei Beweging haar zin krijgt, worden die afgeschaft of althans zo geminimaliseerd dat ze geen kwaad kunnen doen. Dat gaat sommige groepen binnen de Acht Mei Beweging weer te ver, het lijkt op een overstap naar het protestantisme. Zelfs over de bestaansreden van de beweging zijn er dus controversen aan de orde.

De gelovige katholiek (lees: rooms-katholiek, want daarin schuilt heel de ellende) kampt, volgens de Inleiding, met drie erfenissen: de monolitische traditie betreffende leer en leven, de vernieuwingsbeweging binnen de kerk, en als derde de verandering van de cultuur om ons heen, de versplintering van levensbeschouwing en zingeving.

In termen van Lucebert gebracht: 'het hoog heelal ligt verkreukeld/ tussen het kleumend kruid' (de bundel opent en eindigt met die regel). Je kunt dus wel roepen: we moeten de kerk 'bij de tijd' brengen, zoals de vaders van het Tweede Vaticaans Concilie deden, maar bij welke tijd?

Ik zal dat vraagteken niet wegpoetsen, maar de situatietekening komt mij wat al te paniekerig voor. Het lijkt erop dat de rooms-katholieken de wereld om hen heen als zo chaotisch ervaren (in elk hoofdstuk komt wel een keer het woordje 'schizofreen' voor) doordat ze (nog) denken uit de geordende en geöliede roomse wereld van vroeger, waarin het leven tot in het kleinste detail was gereguleerd op de manier die door Rome werd voorgeschreven.

Maar voor mensen die aan die wereld nooit hebben meegedaan, valt de moderne chaos wel mee. Ik zie de 'derde erfenis' (de versplintering van normen en waarden, van geloof en levensbeschouwing) wat minder somber en wat minder chaotisch. Dat neemt niet weg (maakt pas begrijpelijk) dat die zwaar aangezette tekening van chaos, schizofrenie, van modaliteiten en polarisatie, werkelijk zo ernstig wordt ervaren als ze in het boekje wordt voorgesteld. In dat geval is de opstand tegen het gezag nog lang niet uitgewoed en kunnen we nog heel wat beleven.

Kon je nu maar met een boogje om de gezagskwestie heenlopen, lees ik bij Winkler, maar dat blijkt een onmogelijke opgave. Behalve als je dat doet op de manier van de kerkverlaters (die merkwaardigerwijze nauwelijks worden genoemd in het boek, terwijl toch geen kerkgemeenschap zoveel 'afvalligen' telt als de rooms-katholieken, en dat om redenen die juist in die gezagsverhoudingen liggen).

Toch, de Acht Mei Beweging blijft, zolang ze niet aan de zuigkracht van het gezagsprobleem weet te ontsnappen, een typisch rooms-katholieke aangelegenheid. Interessant voor de toeschouwers, maar ver van het bed van allen die niet zo met Rome in hun maag zitten. Er moet meer uit de beweging te halen zijn dan dat even machteloos als vruchteloos tegenstribbelen. Ik doel daarmee op wat in de bundel nauwelijks aan de orde komt: de inhoud van het geloof. Afgezien van een degelijke studie over de seksuele moraal, gaan de bijdragen toch voor het merendeel op in de vraag: wat moet de kerk vandaag doen als kerk, of - typisch rooms spraakgebruik - als kerk-in-deze-tijd?

Eigen verhaal

De antwoorden beperken zich tot strategische adviezen of tot morele en politieke taakstellingen die minstens op het menu van de kerk horen te staan. Zeker, we hebben het dan over de onontbeerlijke humaniteit, ook van de zijde van de christelijke kerken. Maar die hebben niet het monopolie daarop, je vindt de humaniteit ook bij andere religies en bij mensen die de religie hebben afgeschreven.

De christelijke kerk gaat daar dus niet in op, wil ze een bestaansreden hebben. “De kerk heeft een eigen verhaal. Wil men het geen 'groot verhaal' noemen, het zij zo. Maar het is een ander verhaal dan dat van Amnesty International of de milieubeweging”, aldus Ad Willems aan het slot van zijn bijdrage. Als er weer een boekje komt, van de hand van dezelfde redactie, zou het over dat verhaal moeten gaan. Acht Mei, een samenstel van velerlei richtingen en ideeën wordt een samenraapsel, als het juist daarover niet met zichzelf in gesprek gaat. Wat bedoel je met God, waarom praten jullie er over of juist niet (meer), kunnen we even goed de Koran lezen als de bijbel, waarom is het evangelie evangelie, wat is dan de zo verheugende en blijde boodschap? Enzovoort. Dat zijn de vragen die een beweging als die van Acht Mei bij de zaak en bij de tijd houden. De rest regelt zichzelf wel.