Napoleon ontsnapte echt niet

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: De Hôtelier doet niet meer mee (1968)

De hôtelier doet niet meer mee is een historische roman in de ik-vorm. Eerder in deze serie heb ik beweerd dat Vestdijks historische romans doorgaans beter zijn dan zijn contemporaine romans en dat zijn romans in de ik-vorm aantrekkelijker zijn dan zijn romans in de hij-vorm. Conclusie: historische romans in de ik-vorm, dát zijn de meesterwerken. Voorbeelden: Ierse Nachten, De vuuraanbidders, De held van Temesa. Helaas gooit nu deze roman met zijn (zwakke, want) rijmende titel roet in het eten. Het is een levendig, opmerkelijk goed leesbaar, luchtig, alleszins aantrekkelijk verhaal over een jongeman die als huisleraar in dienst komt bij een gezin te Grenoble, en daar bemerkt dat zijn patroon, en diens uitvreters, geloven dat het mogelijk zal blijken Napoleon, na een geslaagde ontsnapping van St. Helena, een onderkomen te bieden in de bergen nabij Grenoble. Máár het is geen meesterwerk. Het herinnert alleen maar aan vroegere meesterwerken. Hier weer, net als in Ierse Nachten en De vuuraanbidders, een jongeman die aanvankelijk niet goed begrijpt dat hij tussen twee partijen staat, hier de anti-bonapartisten en de bonapartisten, maar die allengs, uit bewondering voor en deernis met zijn patroon, geneigd is partij te kiezen, ofschoon hij maar al te goed begrijpt dat zijn baas en de heerschappen die, in afwachting van de komst van Napoleon, van zijn tafel profiteren, luchtkastelen bouwen.

Waarom is deze roman nu geen meesterwerk? Ten eerste, denk ik, omdat het verhaal zo bitter weinig om het lijf heeft. In feite is er geen verhaal. Er is alleen maar sprake van een status quo. Een aantal mannen zitten bijeen, hopend op de komst van hun held, en verdrijven de tijd met geleuter. Ze werken niet actief aan de ontsnapping van Napoleon, nee, ze wachten alleen maar totdat hij, met behulp van een duikboot, van St. Helena zal zijn ontsnapt. Hoe deze mensen zich overigens voorstelden dat men in een tijd toen uitsluitend wind op zee voor stuwkracht der schepen zorgde, met een duikboot vooruit had kunnen komen, blijft geheel in het duister.

Aan het einde van de roman duikt overigens de Amerikaan die als duikbootkapitein had moeten functioneren in Grenoble op. Hij blijkt een typische Vestdijk-held, een geestige, boeiende man, die voor levendige romanpassages zorgt, maar ook hij voegt zich bij de luierende, leuterende uitvreters. Ook hij zorgt niet voor echt gebeuren.

Ten tweede is deze roman, denk ik, geen meesterwerk omdat liefde, vrouwendienst, kortom datgene wat Vestdijks werk altijd kleur en diepgang verleent, hier ontbreekt. De ik-figuur is wel enigszins gecharmeerd van één der dochters van zijn patroon, maar daarbij blijft het.

Ten derde, denk ik, is deze roman geen meesterwerk omdat de typisch Vestdijkiaanse meester-knecht verhouding, hier gerepresenteerd door de huisleraar en diens patroon, rudimentair blijft. De patroon, Monsieur Trublet, is een aimabele, maar wat zwakke figuur, een man die eerder deernis oproept dan bewondering en/of ontzag afdwingt.

Ten slotte is deze roman, dunkt mij, geen meesterwerk omdat het slot, net als overigens het slot van De vijf roeiers, al heel weinig heeft van een apotheose. Integendeel: het slot is een anti-climax. Al die bonapartisten zitten maar te wachten op Napoleons ontsnapping, en dan komt opeens het bericht dat Napoleon is overleden. Wat kan Vestdijk dan nog doen? Hij beschrijft dan de enige daad van Monsieur Trublet die ontzag afdwingt. Trublet gooit al zijn disgenoten, onder de uitroep 'de hôtelier doet niet meer mee', zijn huis uit.

Wat ook niet zo sterk is, is dat de oplettende lezer die zijn geschiedenis kent, en die dus niet alleen weet wanneer Napoleon is overleden, maar ook dat hij nooit van St. Helena wist te ontsnappen, al vanaf de aanvang van de roman op de hoogte is van het feit dat al deze bonapartisten in Grenoble voor niets zitten te wachten. Wat dat betreft verkeert de lezer in dezelfde positie als de lezer van The Day of the Jackal van Forsyth. Daarin wordt minutieus beschreven hoe iemand een aanslag op De Gaulle voorbereidt. Ook dan weet je al vanaf het begin dat die aanslag moet mislukken, omdat je bekend is dat De Gaulle nooit slachtoffer werd van een aanslag. Hetzelfde geldt ook voor Shadow over Babylon van David Mason. Daarin het verhaal over een aanslag op Saddam Hussein. Ook dan weet je, als je begint te lezen, dat die aanslag tot mislukken gedoemd is. Weg spanning. Welnu, dat geldt ook voor deze roman van Vestdijk, je weet hoe het met Napoleon is afgelopen, en daarom vergt het duivelskunst om ons te interesseren voor een stel kerels die lanterfantend wachten op iets waarvan je als lezer weet dat het nooit zal gebeuren.

Niettemin blijft er, ook al komt de duivel slechts terloops ter sprake op pagina 106, nog wel een en ander te genieten over in deze historische roman. Boeiend is bijvoorbeeld de zes pagina's lange brief die een vriend aan de ik-figuur schrijft over diens bezoek aan de Napoleon-vereerder Goethe. Daarin heeft Vestdijk, en dat is hem goed gelukt, gepoogd om de figuur van Goethe, en diens ambivalente houding tegenover Napoleon, op te roepen. Het is jammer dat er verder in de roman met dat schrijven niets meer gedaan wordt, en dat ook Goethe nauwelijks nog ter sprake komt, want die brief is een bijzonder knap staaltje van historisch invoelingsvermogen.

Toch, als geheel, stelt deze roman teleur. Het is net of je een heel geslaagde roman leest van een begaafde Vestdijk-epigoon, dan wel van iemand die opmerkelijk goed in staat bleek Vestdijk te pasticheren.