Leidse muren zijn poëtisch

'Pourquoi la chère couleuvre se love de la mer jusqu'à l'espoir attendrissant l'Est', danst de dichtregel van Guillaume Apollinaire (1880-1918) in zijn kubistische typografie over de zijgevel. Hij siert, roodbruine pasteltinten op versgesaust mauve, het studentenpand Kloosterpoort/ Middelste Gracht, hartje Leiden. 'Loin du pigeonnier' is nummer 22 in een reeks muurpoëzie die eind 1992 van start ging met een gedicht van Mariana Ivanavno Tsvetajeva op de gevel van antiquariaat Burgersdijk & Niermans in de Kloksteeg. Voor de eeuwwisseling zal het project met een honderdste gedicht zijn voltooid.

'Gedichten op muren' is een initiatief van Jan Willem Bruins, Hetty Leydekkers en Ben Walenkamp, verenigd in de Stichting TEGEN-BEELD. Gedrieën maken ze een selectie, waarbij voor niet-Westerse poëzie advies wordt ingewonnen bij ter zake kundigen aan de Leidse universiteit. Zo verscheen er een Hebreeuws gedicht op de hoek Herengracht/ Groenesteeg, kreeg het pand Rapenburg/ Nonnensteeg een klassiek-Japanse haiku en heeft Leiden Zuid-West sinds kort een Arabisch gedicht. Andere schriften, zoals het Armeens of het Sanskriet, komen nog aan de beurt.

Het begon allemaal in 1992 met de herdenking van 75 jaar De Stijl. Het idee was toen Leidse muren te beschilderen met de poëzie van I.K. Bonset, alias Theo van Doesburg, welke kunstenaar destijds aan het Kort Galgewater werkte. Jan Willem Bruins: “Zijn gedichten waren aardig van vorm, maar de inhoud viel tegen. Niettemin is uit dat eerste idee het plan voor poëzie in de talen van de wereld gegroeid, met als motief dat Leiden in zijn geschiedenis de meest uiteenlopende culturen onderdak heeft geboden.”

De gedichten staan op muren die vanaf de openbare weg zichtbaar moeten zijn. Geliefd zijn studentenpanden - Studentenhuisvesting heeft het trio carte blanche gegeven - maar ook bij particulieren wordt aangebeld. De binnenstad heeft de meeste poëzie, maar de buitenwijken volgen, al was het maar om de gedichten lucht te geven. Steeds vaker gebeurt het dat huiseigenaren zelf hun gevel aanbieden. “Maar dan hebben ze tegelijk een gedicht in hun hoofd en dat gaat mooi niet door”, zegt Jan Willem Bruins. “Het is en blijft onze keuze. Als een school ons vraagt en de leerlingen erbij wil betrekken, vinden wij dat best zolang ze uit twee gedichten van Lucebert kiezen die wij hebben aangedragen. Er zit een rode draad in onze keuze, veel gedichten verwijzen naar zichzelf, gaan over taal.”

Per seizoen schildert Jan Willem Bruins zo'n veertien gedichten. Hij heeft het kalligraferen zichzelf geleerd, in de tijd dat hij als eeuwig student in Ben Walenkamps jazzcafé 'De twee spiegels' werkte en er affiches moesten komen om artiesten als Ben Webster aan te kondigen. Tegenwoordig verdient hij zijn brood met wand- en plafondschilderingen. “Heb je een bepaalde muur in je hoofd, dan zoek je er een gedicht bij dat visueel strookt”, zegt de Leidenaar. “Soms heeft een muur een versteviging nodig, in de vorm van een vlak of een driehoek. Ik gebruik veel pasteltinten, dat gaat gevoelsmatig. Ter plekke bedenk ik de vorm en de typografie.”

Is de keuze gemaakt dan komt er een steiger. Afgezien van horizontale lijntjes schildert Jan Willem alles uit de losse hand. “Het is een explosie van concentratie”, zegt hij, “anderhalf uur per regel, drie dagen per gedicht.” Heel af en toe sluipt er een foutje tussendoor: in 'Misterio' van Jorge Euduardo Eielson, op het Noordeinde, staat een keer 'aqua' waar het 'agua' had moeten zijn en bij Kavafis, hoek Turfmarkt/ Caeciliastraat, zijn een paar woorden weggevallen. “Tezijnertijd zal het worden hersteld”, verzekert de schilder.

“Zonder de gave van Jan Willem was er helemaal geen project”, benadrukt Ben Walenkamp.

Inmiddels is men gevorderd tot nummer 30. Een kwart is Nederlandstalig. 'Zet het blauw / van de zee/ tegen het / blauw van de / hemel veeg / er het wit / van een zeil / in en de / wind steekt op' dicht Willem Hussem in monumentale witte letters tegen een achtergrond van hemelsblauw boven marineblauw. Bij het oranjerode Tjielp etc. van Jan Hanlo in de Langestraat dwaalt de blik van de toeschouwer onwillekeurig naar de dakgoot om te zien of daar soms geen mus zit. Verlaine is er, en Pessoa, Borges en Shakespeare, maar mysterieuzer is de taal van de Noordamerikaanse Creek-indianen: 'Hi yomen Kawetulke Yahola ...' verhaalt een muur op de Nieuwe Rijn in kloeke kapitalen van een wervelwind op de prairie. Ook hier zijn vorm en inhoud één.

Van graffiti of andere vernielzucht hebben de geschilderde Leidse gedichten verrassend weinig last. Hans Lodeizen in de Haarlemmerstraat - korenblauw op zwart - is een keer bespoten, maar dat is een uitzondering, en het schilderwerk is snel gereinigd. “De gedichten dwingen door het vakwerk van Jan Willem respect af”, verklaart Ben Walenkamp. “Apollinaire staat tussen de sociale woningbouw, die mensen kunnen het niet lezen en weten niets van poëzie. Toch vinden ze het prachtig, het wordt door zo'n buurt geadopteerd en sommigen leren het uit hun hoofd.”

En de wandelaar? Die ondergaat de sensatie van kleur, vorm en typografie, van vlakke poëzie in een driedimensionale ruimte van uitstaande ramen en muurankers. Voor de literaire beleving is er een perspex bordje op ooghoogte met de Nederlandse en Engelse vertaling. Bij Apollinaire ontbreekt het nog. “We hebben 'Loin du pigeonnier' al aan vijf vertalers gegeven”, zegt Jan Willem Bruins, “het is bijna onvertaalbare oorlogspoëzie over een troepenmacht op de vlucht.”

Er zijn sponsors voor dit prachtproject, niettemin moeten er zakken met geld bij. Toch vertrouwen de drie poëzieliefhebbers van TEGEN-BEELD erop dat ze de honderd zullen halen. Van te veel vooruitdenken willen ze niet weten, 'anders gaat de lol eraf', maar de titel van hun laatste gedicht hebben ze al: 'De honderd doden' van Garcia Lorca.