Leerfabrikanten

“Ook de leerlooierijen konden kiezen tussen samenwerken met de Duitsers of sluiten: er was weliswaar genoeg leer voorradig (u bedoelt huiden), maar de import van looistoffen lag geheel stil. De looierijen gingen massaal akkoord met het Duitse aanbod om in ruil voor looistoffen lederwaren te leveren aan Duitsland.” Aldus het artikel 'Samenwerken met de vijand was gemeengoed' (NRC Handelsblad, 2 mei).

Deze passage vraagt om correctie. Er is namelijk geen overeenkomst gemaakt tussen Nederlandse lederfabrikanten afzonderlijk en de Duitse bezetters. Dit was namelijk onmogelijk omdat reeds op 31 augustus 1939 door de minister van economische zaken was opgericht een Rijksbureau voor Huiden en Leder dat op grond van de distributiewet van juli 1939 aan de Nederlandse Lederindustrie alle zelfstandige activiteit en beslissingsrecht over inkoop, produktie en verkoop ontnam.

Over alle activiteiten van dit Rijksbsureau is uitvoerig verslag gedaan in het boek 'Huiden en Leder 1939-1945' van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. De schrijver van dit boek, A.J. van der Leeuw, geeft als zijn conclusie dat dit Rijksbureau “in een door schaarste gekenmerkte economie een voorname rol heeft gespeeld bij de verdeling van beschikbare goederen over bedrijfsleven en bevolking. Er vond geen slaafse uitvoering plaats van Duitse bevelen maar ook geen heldensagen van legaal verzet. Er werd hard gewerkt wetend een nationaal belang te dienen. In de lederindustrie is een vrijwillige collaboratie nauwelijks voorgekomen. Trouwens het bedrijfsleven had weinig invloed, er werd geregeerd. Het beleid van het Rijksbureau is aan te duiden als een stuk goed Hollands koopmansbeleid met zoveel mogelijk behoud van de Nederlandse industrie en de best mogelijke voorziening der bevolking.”

Van collaboreren in de ongunstige betekenis van het woord was in de lederindustrie dus geen sprake.