Kruitvat Kashmir; Uitzichtloze oorlog in Kashmir bedreigt hele Indiase subcontinent

Sinds 1947 willen de Kashmiri's het recht op zelfbeschikking. Sinds 1990 wordt er ook om gevochten; met grote wreedheid treden Indiase regeringstroepen en moslim-strijders tegen elkaar op. Na de Indiase overval op een Kashmiri heiligdom dit voorjaar kreeg het conflict een gevaarlijke, emotionele lading. Verslag van het front: de twee gezichten van India.

Elke dag worden er uit alle hoeken van de Indiase deelstaat Kashmir in de ziekenhuizen van de hoofdstad Srinagar mensen binnengebracht met gebroken ledematen, ontwrichte heupen, beschadigde interne organen, brandwonden, dichtgeslagen ogen en kneuzingen over het hele lichaam. Velen van hen zijn slachtoffers van de smerige oorlog, die al vijf jaar in Kashmir woedt tussen de regeringstroepen en separatistische moslims. Vooral in de ondervragingscentra van het Indiase leger bereiken de mishandelingen een ongekend niveau. Soms wordt de patiënt, wanneer zijn verminkte lichaam door de artsen weer een beetje is opgelapt, door de militairen voor een volgende 'ondervragingsronde' afgehaald. De militante moslims maken nog kortere metten: wanneer zij iemand ook maar van de geringste samenwerking met de Indiase autoriteiten verdenken, schieten ze die eenvoudigweg dood, ongeacht of het slachtoffer onder dwang van de Indiërs handelde of niet.

In een ziekenhuis in Srinagar ligt een jongeman van 24 jaar te herstellen van een gebroken heup. Een paar dagen geleden werd hij 's avonds even buiten zijn huis in een dorpje aangehouden door Indiase paramilitaire troepen. Die timmerden hem zonder omhaal in elkaar en lieten hem daarna voor dood achter op de straat, waar zijn bezorgde familie hem even later in bewusteloze toestand aantrof. “Wat ze precies van me wilden, weet ik nog steeds niet”, zegt de man. Een zaalgenoot is zojuist uit het ziekenhuis ontslagen nadat hij was geholpen aan een ontwrichte heup, het gevolg van een mishandeling met een soort wals waarmee zijn ondervragers zijn dijen hadden bewerkt.

Beiden kwamen er nog genadig van af. Met regelmaat worden er zomaar ergens langs de weg de zwaar toegetakelde stoffelijke overschotten gevonden van mensen, die door de Indiase veiligheidstroepen voor ondervraging waren meegenomen. Schattingen van het aantal mensen dat jaarlijks in hechtenis om het leven komt in Kashmir lopen uiteen van twee- tot vijfhonderd. Sinds 1990 zijn er tussen de vijftien- en de twintigduizend mensen om het leven gekomen bij de strijd in Kashmir, de meesten gewone burgers.

Zes zomers geleden gold Kashmir nog als het paradijs op aarde. Op het sprookjesachtige Dal-meer bij Srinagar, omringd door de besneeuwde pieken van de Himalaya, amuseerden duizenden toeristen zich in de vermaarde house boats, die in de negentiende eeuw door Britse officieren in Kashmir werden geïntroduceerd om een oud verbod op grondbezit te omzeilen. Moslims en hindoe's leefden vreedzaam naast elkaar en de Kashmiri's gingen prat op hun weinig martiale reputatie. “In die dagen zag je nooit van zijn leven een geweer in Kashmir”, zegt een student. “Wanneer er eens iemand werd vermoord, veroorzaakte dat een schokgolf die door de hele vallei ging.”

Tegenwoordig is het onmogelijk om een ritje door Srinagar te maken en niet ten minste honderd geweren te tellen. Op vrijwel elke straathoek staan zwaar bewapende militairen met kogelvrije vesten, hun geweer in de aanslag. Nerveus speuren ze de naburige steegjes en daken af, want ze weten dat de dood overal op de loer kan liggen. De separatisten zijn er meesters in om onverwachts op te duiken en even een paar militairen neer te maaien. Er zijn honderden bunkers van zandzakken gemaakt. De stad maakt de indruk onder buitenlandse bezetting te staan.

De inwoners van Srinagar passeren de soldaten met een mengeling van angst en verachting. Als er even geen soldaten in de buurt zijn, gaan de uitlaatkleppen meteen wijd open. Dan kan er uit de ramen van een schoollokaal plotseling een luid 'Wij willen een vrij Kashmir' schallen. En op muren staan zomaar de namen gekalkt van militante organisaties als de Allah Tigers of Jamaat-i-Islami.

Muurtje

Ondanks de indrukwekkende Indiase troepenmacht van vele tienduizenden manschappen is hun controle over de stad allerminst waterdicht. “Hé, kijk daar bij die bushalte, daar staat een belangrijke militante strijder gewoon in burger tussen de mensen”, zegt mijn lokale gids. Tussen de andere bebaarde mannen is hij een onopvallende verschijning.

Het blijkt ook mogelijk om op klaarlichte dag midden in de stad Srinagar een vooraanstaande guerrillastrijder te ontmoeten. Nadat er via enkele tussenpersonen contact is gelegd, moeten we even over een muurtje heenklimmen en dan bevinden we ons plotseling tussen de guerrillastrijders. Jongens van een jaar of achttien rennen over het erf heen en weer met machinegeweren, af en toe per walkie-talkie met elkaar communicerend. We worden binnengelaten in de tuin van een doodgewoon huis, waar enkele huisvrouwen in kleurige traditionele Kashmiri kleren nieuwsgierig vanaf het balkon naar beneden gluren.

Vanaf een verhoging in de buurt zou een wachtpost van de regering de guerrillastrijders met hun kalasjnikovs zonder moeite kunnen zien. Gevraagd of het niet gevaarlijk is om zo in het hol van de leeuw te opereren, glimlacht een van de jongens. “We hebben een akkoordje gesloten met de lokale legercommandant: wij zullen jou niet lastig vallen als jij ons ook met rust laat. Die commandant en zijn mannen willen liever nog even van het leven genieten en dus slaan ze nooit alarm.”

Even later wandelt 'kolonel' Iqbal nonchalant binnen. Erg heldhaftig oogt de man, die door zijn ondergeschikten trots wordt omschreven als de meest gezochte man van Srinagar, niet. In zijn overhemd en spijkerbroek en met een stevig buikje zou men hem eerder voor een brave huisvader houden. Maar de schijn bedriegt. Iqbal is een van de leiders van Hizb-ul-Mujahedeen, op het ogenblik veruit de sterkste van alle verzetsorganisaties. Elk jaar sneuvelen er honderden van haar strijders in de strijd met de Indiërs.

Hizb strijdt voor aansluiting bij Pakistan en wordt, voor zover bekend, in dat streven rijkelijk gesteund door de Pakistanen zelf. “We hebben eigenlijk wel zo'n beetje alles wat we voor een guerrilla-oorlog nodig hebben”, zegt Iqbal tevreden. “Kalasjnikovs, granaatwerpers, lichte machinegeweren, licht luchtdoelgeschut, explosieven met afstandsbediening en voortreffelijke communicatie-apparatuur.”

Hoewel de Indiase regering Hizb-ul-Mujahedeen consequent afschildert als een radicaal fundamentalistische groepering, is Iqbal tamelijk gematigd in zijn uitlatingen. Wel is hij onverzettelijk in zijn eis dat de Kashmiri's eindelijk, 48 jaar na de deling van het Indiase subcontinent, het recht op zelfbeschikking moeten krijgen. Daarbij is het aan de bevolking om uit te maken of ze bij India dan wel Pakistan wil horen of eventueel onafhankelijk wil zijn. Niemand, ook de Indiërs niet, twijfelt er aan dat de Kashmiri's het eerste in elk geval niet zouden verkiezen.

“Ook wij geloven niet dat de oplossing voor Kashmir uiteindelijk uit de loop van een geweer kan komen”, zegt Iqbal. “Maar we hebben ruim veertig jaar met politieke middelen geprobeerd de Indiërs tot rede te brengen. Al die tijd deed India alleen holle beloftes om ons vervolgens met geweld tot andere gedachten proberen te brengen. Daarom hebben wij de wapens opgenomen. We zijn eigenlijk een vreedzaam volk. Maar zolang India niet eens wil toegeven dat er een probleem bestaat over de status van Kashmir, zullen we onze strijd juist verscherpen. Dan zullen we graag voor de goede zaak sterven, want we zullen nooit als slaven onder India willen leven.”

Boedelscheiding

Het probleem Kashmir ontstond in 1947, toen het immense Brits-Indiase rijk onder chaotische omstandigheden uiteenviel. Tot op het laatst was onduidelijk of het overwegend door moslims bewoonde Kashmir bij Pakistan of India zou moeten komen. De Pakistanen vonden dat Kashmir vanzelfsprekend bij hun zou komen, maar de eerste Indiase premier, de hindoe Jawaharlal Nehru, wiens familie zelf uit Kashmir kwam, vond dat het historisch gezien bij India hoorde. De Britten mengden zich nauwelijks in deze boedelscheiding.

Om hun eisen kracht bij te zetten, vielen de Pakistanen in de herfst van 1947 maar vast het westelijke deel van Kashmir binnen. Toen ze dreigden op te marcheren naar Srinagar, vluchtte de toenmalige hindoe-heerser van Kashmir, maharadja Hari Singh, naar New Delhi om hulp te vragen. Die wilde Nehru wel geven, maar op voorwaarde dat de maharadja erin zou toestemmen dat Kashmir bij India zou komen. De maharadja stemde daarin noodgedwongen toe. De Pakistanen werden vervolgens een eind teruggeslagen, maar hebben tot vandaag een derde deel van Kashmir bezet gehouden.

Nehru beloofde de Kashmiri's bij herhaling dat ze zelf in een later stadium over hun lot zouden mogen beslissen; ook in de pas opgerichte Verenigde Naties werden hiertoe enkele resoluties aangenomen. Verder had Nehru het geluk dat de belangrijkste leider van de moslims, Sheikh Abdullah, zich bij de inlijving door India leek te hebben neergelegd. Toen Abdullah echter gebruik wilde maken van de autonomie die de Indiërs hadden beloofd, belandde hij in de gevangenis, waar hij in totaal elf jaar zou doorbrengen.

Het was niet de enige keer dat de Indiërs het vertrouwen van de Kashmiri's schonden. Ook in de jaren daarna werd er bij verkiezingen dikwijls schaamteloos gefraudeerd; nieuwe akkoorden over autonomie bleven dode letters. In de jaren tachtig greep bovendien nog de corruptie onder de Indiase bestuurders van Kashmir steeds verder om zich heen. De Kashmiri's waren aan het einde van dat decennium volstrekt gedesillusioneerd geraakt met hun Indiase meesters.

Toen jonge moslims eind 1989, begin 1990 de wapens opnamen, konden ze dan ook op een enthousiast onthaal rekenen bij de bevolking. Die geestdrift is inmiddels wel afgenomen, want nogal wat van de vrijheidsstrijders bleken zich despotisch te gedragen. Toch gunnen de meeste Kashmiri's de guerrillastrijders het voordeel van de twijfel. Buitensporig gedrag van de strijders wordt gemakshalve toegeschreven aan infiltranten van de Indiase regering, wier taak het is de nobele verzetsstrijders in diskrediet te brengen.

De Indiërs zijn niet van plan aan de fundamentele eis van de Kashmiri's van zelfbeschikking tegemoet te komen. Zij probeerden de zaken met bruut geweld onder controle te brengen. “India heeft twee gezichten”, verklaart de voormalige rechter Mufti Bahauddin Farooqi in zijn door bunkers omringde woning in Srinagar. “Het ene is prachtig en is vooral voor buitenlands gebruik. Het andere gezicht daarentegen is smerig en is bestemd voor Kashmir.” Volgens Farooqi, die een eigen organisatie voor de mensenrechten in het leven heeft geroepen, zou er een internationaal tribunaal moeten komen om de Indiase misdaden in Kashmir te berechten.

De Indiase regering probeert de geteisterde bevolking van Kashmir intussen te paaien met verkiezingen. Maar de kruik gaat zo lang te water tot ze barst en in Kashmir is dat al zes jaar geleden gebeurd, bij het uitbreken van de guerilla. Bijna niemand ziet er iets in. “Een verkiezing is nooit een antwoord op een vraag die de beschikking van een volk betreft”, zegt professor Abdul Ghani, een van de leiders van een losse coalitie van islamitische partijen. “Wij hoeven geen regering te kiezen, wij moeten over onze toekomst beslissen en daar hoef je geen verkiezingen voor te houden, maar moet het volk zich uitspreken via een referendum.”

Verering

Het geringe vertrouwen van de Kashmiri's in de Indiërs is inmiddels tot het absolute nulpunt gereduceerd. Leek er tot dit voorjaar sprake van een lichte verbetering in de wederzijdse verstandhouding, in mei ging die in één klap letterlijk in rook op door de dramatische gebeurtenissen in Chrar-i-Sharif.

Chrar-i-Sharif is, of liever gezegd was, een schilderachtig pelgrimsoord aan de voet van besneeuwde bergen, waar zich het graf bevindt van Sheikh Noorudin Noorani, een door de Kashmiri's zeer vereerde vijftiende-eeuwse soefi. De verering van deze heilige man, die uitermate vredelievend was, illustreert de geestelijke traditie van de Kashmiri's.

In maart van dit jaar belegerden Indiase regeringstroepen het historische plaatsje omdat een groep guerrillastrijders hier voor het barre winterweer een onderkomen had gezocht. Het grootste deel van de burgerbevolking vluchtte kort daarna, uit angst voor de gevechten. Na herhaaldelijke schietpartijen ging op 8 mei het grootste deel van de plaats, vele honderden huizen, in vlammen op. Het heiligdom van de soefi bleef vooralsnog gespaard. Drie dagen later werden echter bij een nieuwe grote brand ook het gebouw rond het graf van de soefi en een belendende oude moskee geheel in de as gelegd. Twaalf militanten kwamen om het leven, enkele tientallen anderen wisten op het laatste moment te ontkomen.

Terneergeslagen zijn de bewoners zes weken later nog bezig met ruimen. Sommigen zeggen niet te weten wat hen meer verdriet doet: het afbranden van het heiligdom van hun geliefde soefi of van hun eigen huis. Met een geringe vergoeding van de Indiase regering op zak, zit de oude vrouw Rehati naast de hopen stenen, waar eens haar winkeltje en huis stonden. Zeven generaties woonde haar familie al hier. “Wat moet ik doen?” zegt ze. “Ik ben de schok nog steeds niet te boven. Ik ben een weduwe en mijn dochter is ook een weduwe. Die heeft bovendien nog een invalide zoon. Wat moet ik in zo'n toestand doen? Ik weet het werkelijk niet.” Ze maakt zich vooral zorgen over de ijskoude wintermaanden.

De regering gaf de schuld van de branden aan de guerrillastrijders, volgens de Indiërs 'hoofdzakelijk buitenlanders'. Maar de militanten, daarin gesteund door de lokale bevolking, stelden de regeringstroepen zelf verantwoordelijk. Die zouden het plaatsje van tevoren vanuit vliegtuigen met een geheimzinnig poeder hebben bestrooid, dat ze later tot ontbranding brachten. Wie de schuldige ook is, vaststaat dat de haat van de bevolking jegens het Indiase gezag door de gebeurtenissen in Chrar-i-Sharif een nieuwe impuls heeft gekregen. “De brand in Chrar-i-Sharif”, verklaart Abdul Ghani, “heeft een emotionele dimensie toegevoegd aan een toch al zeer explosieve situatie, waarbij India en Pakistan steeds op het randje van een nieuwe, mogelijk nucleaire oorlog staan.”

Is er dan niets te doen aan deze uitzichtloze, smerige oorlog, die mogelijkerwijs het hele subcontinent kan meeslepen? “Ja, zeker wel”, meent Ghani. “Als de Indiërs er vandaag in toestemmen om ons over ons eigen lot te laten beslissen, is het probleen morgen de wereld uit.” Maar de kans dat New Delhi hierin zal toestemmen is nihil. De meeste Indiërs zouden het als een grote nederlaag beschouwen als ze Kashmir zouden kwijtraken, vooral als het deel van Pakistan zou worden. Bovendien zouden andere groepen met separatistische neigingen, zoals de Tamils in het zuiden en de Bodo's in het noordoosten, er gemakkelijk moed uit kunnen putten om hun inspanningen voor een eigen staat te verdubbelen. Het zou tot bloedbaden kunnen leiden, waarmee vergeleken Kashmir nog maar kinderspel is.

Haat

Intussen zit Kashmir gevangen in een vicieuze cirkel. Neem de Werdegang van een jonge aanhanger van het Bevrijdingsfront van Jammu en Kashmir (JKLF). Hij is een wat verlegen jongen, maar een die hecht aan principes. Aanvankelijk was hij alleen politiek actief, omdat hij niet kon aanzien hoe zijn volk leed. Formeel is de politieke vleugel van de JKLF ook niet verboden. Niettemin werd hij in augustus 1993 opgepakt door de veiligheidstroepen en uitgebreid gemarteld.

“Ongeveer dertig à veertig keer dienden ze me elektrische schokken toe op de gevoeligste delen van het lichaam, inclusief mijn penis”, zegt hij, zijn woorden zorgvuldig kiezend. “Daarna rolden ze met een houten wals over mijn benen, waarna ik het bewustzijn verloor. Ook daarna werd ik nog verscheidene keren hevig geslagen. Tot april van dit jaar zat ik gevangen. Toen ik uit de gevangenis kwam, ontdekte ik dat mijn vader intussen was overleden. Ik had geen toestemming gekregen hem nog tijdens zijn ziekbed op te zoeken.”

Voor zijn vrijlating had hij een verklaring moeten tekenen dat hij zich nooit bij de militanten zou aansluiten. Daar zette hij zijn handtekening onder, maar kort daarop al voegde hij zich, meer vastbesloten om de Indiërs te verdrijven uit Kashmir dan ooit, bij de gewapende vleugel van het JKLF.

“Geweld leidt tot geweld”, waarschuwt een Kashmiri, “en haat leidt tot haat.” Het voormalige paradijs op aarde kan zich aan deze bittere waarheid niet onttrekken.