Koningskwestie in perspectief

LUC HUYSE en KRIS HOFLACK (red.): De democratie heruitgevonden. Oud en nieuw in politiek België 1944-1950

230 blz., Van Halewyck 1995, ƒ 39,90

10 mei 1940. Een uitgemeten aanval van Duitse parachutisten maakt het 'oninneembare' fort van Eben-Emael in de Belgische provincie Luik onschadelijk. Vijftien dagen later houdt koning Leopold III op het kasteel van Wijnendaele crisisberaad. Hij stelt voor dat België capituleert en zich schikt in zijn nieuwe positie van bezet gebied. De regering van eerste minister Hubert Pierlot wil dat het land zijn neutraliteit opgeeft en de Geallieerden militair tot het uiterste steunt. De vergadering eindigt in een sfeer van wederzijds onbegrip, zonder akkoord. Drie dagen na de dramatische ontmoeting moet België zich hoe dan ook overgeven.

Pas vijf jaar later zou Leopold sommige regeringsleden terugzien. Hijzelf bleef vrijwillig onder Duits toezicht in België 'bij het beproefde volk', het kabinet vluchtte en belandde na veel avonturen in het najaar van 1940 in Londen, “om van daaruit de strijd tegen het nazisme verder voort te zetten”. Beiden rekenden daarbij op een brevet van vaderlandsliefde.

De kloof tussen hun zienswijzen deelde heel België in tweeën. Na de bevrijding in september 1944 kwam zij in de koningskwestie tot een uitbarsting en bemoeilijkte een ordelijk herstel van de democratie. De moeizame weg van dat herstel is het onderwerp van De democratie heruitgevonden. Onder redactie van Luc Huyse en Kris Hoflack, twee Leuvense historici, behandelen verschillende auteurs telkens een aspect van dit verwerkings- en aanpassingsproces.

Huyse en Hoflack tonen in hun eigen bijdragen hoe België na de bevrijding moest afrekenen met een dubbele erfenis. Er was niet alleen de nalatenschap van de oorlog zelf. Ruim vier jaar bezetting en collaboratie, de zuivering van alle structuren, de extreme polarisering rondom de figuur van de koning, dat alles was slechts een deel van het probleem. De politieke klasse lag ook met zichzelf in de knoop. In de jaren '30 hadden rechtse ideeën ook in België velen bekoord. De democratie gold voor machteloos en politici brandden zich aan financiële schandalen. De regering die in september '44 uit Londen terugkeerde vertegenwoordigde de oude generatie.

Schuldbewust poogde zij nu een nieuw gezag, een morele legitimiteit te verwerven. Dat verklaart haar opportunisme in al die kwesties die het land in die dagen verdeelden. Met een harde aanpak van de collaboratie wilden Pierlot en zijn opvolgers hun patriottisme bewijzen. Maar vooral moesten de eerste kabinetten op die manier het gewapende verzet de wind uit de zeilen nemen. Dit was zowaar een concurrent in de machtsstrijd. Anders dan in de buurlanden, blijkt uit het hoofdstuk van Pieter Lagrou, was er in België geen mythe gecreëerd die de weerstand tegen het Duitse regime wilde voorstellen als een nationale eigenschap. Sommige strekkingen in het verzet konden dus proberen de verdiensten ervan te monopoliseren en politiek uit te buiten.

Ongeregeldheden

De afloop is bekend. Het vervolgingsbeleid van de regering werd net niet het georganiseerde verlengstuk van de straatrepressie. Snelheid en strengheid waren belangrijker dan rechtvaardigheid en precisie. Pas van de lente van 1947 af zou de eerste naoorlogse rooms-rode coalitie een andere koers varen en een eerste stap zetten op weg naar reïntegratie.

Toch kon de politieke wereld vrij snel in de chaos een stabiliserende rol spelen. Dat was ongetwijfeld deels te danken aan de steun van de geallieerden. Winston Churchill, vertelt Yvan Vanden Berghe, nam de inzet serieus: het alternatief was een anarchie waarin, zo geloofde hij, ofwel koningsgezinden een eigenzinnig, neutraal regime zouden installeren ofwel de communistische vleugel van het verzet aan de ontwapening zou ontsnappen en zijn populariteit zou gebruiken om de macht te grijpen. In februari 1946 konden parlementsverkiezingen worden gehouden. De regering was opnieuw onbetwistbaar legaal.

Dat was hoog tijd, want de situatie was bij momenten explosief. Koning Leopold III, die onmogelijk was voor Walen en socialisten, maar in Vlaanderen steeds meer op handen werd gedragen, moest tot 22 juli 1950 vervangen worden door zijn broer, prins Karel.

Grotesk protest en zware ongeregeldheden dwongen Leopold al op 31 juli definitief af te treden ten voordele van zijn zoon, Boudewijn. Herman Van Goethem beschrijft hoe de koningskwestie het land jarenlang tot op de rand van de burgeroorlog en de scheuring bracht.

In de bijdrage van Emmanuel Gerard worstelt de democratie zich dan toch geleidelijk uit de identiteitscrisis. Tien jaar en dertien kabinetten later hebben de twee grootste partijen, de katholieke en de socialistische zich hernieuwd. De CVP sloot zich niet meer af voor niet-gelovigen. De BSP wilde een modern socialisme dat niet alleen de arbeidersklasse aantrok. Een nieuwe generatie politici met een socialere inspiratie trad aan. In 1948 kregen ook de Belgische vrouwen stemrecht. CVP en BSP werden gedwongen samen te werken. De Belgische politiek werd er een van pacificatie, van het vermijden van de confrontatie: tussen Walen en Vlamingen, tussen vrijzinnigen en gelovigen, tussen werkgevers en werknemers. De democratie was herboren, de verzuiling versterkt, de oplossing duur.

De elf hoofdstukken van dit boek zijn niet alle even spannend. Maar als geheel slaagt het boek erin om eindelijk na vijftig jaar het gebeuren sereen te interpreteren. Het lijkt gemakkelijker geworden om het introverte en scrupuleuze laveren van prins Karel tijdens zijn regentschap te waarderen en om de dubbelzinnigheid van zowel de repressie als de anti-repressie vast te stellen. Hoewel uit een standpunt dat duidelijk Vlaams is, is De democratie heruitgevonden geschreven zonder partijdigheid. Dat is een vaststelling die oplucht.