Kampkind in Indië werd jong 'kleinvolwassen'

Sinds vijftien jaar bestaat er in Nederland veel ervaring met de behandeling van Indische kamptrauma's. Nergens ter wereld zou zoveel specifieke therapeutische expertise aanwezig zijn, ook al vormden de mensen die de oorlog in Indië hadden meegemaakt, lange tijd een vergeten groep. Voor mensen die als jong kind of puber in een kamp zaten, geldt dat volgens psychiater Van Tiel-Kadiks van Centrum 45 in Oegstgeest, nog steeds. Tegen de jongsten is altijd gezegd 'jullie hebben nergens last van gehad, jullie kunnen er niet over meepraten'. En als er dan, veertig of vijftig jaar later, toch psychische klachten blijken te bestaan en het vermoeden bestaat dat die met de oorlog en de kamptijd hebben te maken, dan ervaart men dat als een aanklacht tegen en als een loyaliteitsprobleem met de ouders.

Op de vraag of het vooroorlogse koloniale leven, bijvoorbeeld de omstandigheid dat de baboe soms meer de moederrol vervulde dan de moeder zelf, wel zo gunstig was voor de persoonlijkheidsontwikkeling van jonge kinderen, blijft psychiater Van Tiel het antwoord schuldig. Zulke vragen zijn in Centrum 45 niet aan de orde. Veel kinderen die in Indië opgroeiden, zouden het leven daar als 'paradijselijk' hebben ervaren. Vandaar dat de Japanse bezetting bij hen en hun ouders zo hard aankwam. Vaak veranderde een bevoorrechte positie in een verschoppelingsbestaan.

Jonge kinderen ondergingen de bedreigingen van het kamp en de machteloosheid, maar wisten onvoldoende wat er gaande was. Jongens van tien tot achttien jaar en meisjes van diezelfde leeftijd, waren al heel jong 'kleinvolwassenen' en hadden zware taken in het kamp. Ze mochten niet stout zijn, konden zich nauwelijks als pubers gedragen. Met gevolg dat sommigen veel later in hun leven nog 'stoute dingen' gingen doen of zich eerst toen puberaal gingen gedragen.

In de jongensgemeenschap van het kamp, zo schrijft Hugo de Gruijter in een bijdrage aan het boek Kind in Indië, oorlogservaringen en hun gevolgen (Utrecht, 1990), heerste een gezagsvacuum, waardoor er af en toe vechtpartijen ontstonden. Wie de sterkste was, had de leiding en om zo'n sterfiguur verzamelden zich jongens die in opdracht weer streken uithaalden. De Gruijter: “Van een oudere man kreeg ik de raad eens wat boksen te leren, waardoor ik me in een hachelijke positie zou kunnen verdedigen. Hij zei: ik kan niet garanderen dat je zult winnen, maar je bent in ieder geval een tegenstander geworden en ook niet meer zo gemakkelijk te intimideren. Zijn raad had veel succes. Ik had geen last meer van jongens of mannen die mij iets af wilden pakken.”

De Gruijter vertelt niet alleen hoe hij wat flinker werd, maar ook over schaamtegevoelens van destijds. Bijvoorbeeld nadat er weer eens iets was gesmokkeld. “Ik lag toen in het ziekenhuis, beter gezegd in de ziekenboeg om te genezen van een hardnekkige geelzucht. Opeens moesten wij in de vroege avond op het appel verschijnen, omdat er suiker of iets dergelijks was gesmokkeld. De dokters, de verplegers en de patiënten moesten zich opstellen in een lange rij voor het gebouw van de kampcommandant. Toen de rij zich had gevormd, werd de afranseling systematisch ingezet. Koortsig door de geelzucht wachtte ik mijn beurt gelaten af. Hoe het zich verder ontwikkelde weet ik niet meer. In ieder geval stond ik op een of andere manier buiten mijn eigen lichaam. Ik zag mijzelf staan. Tenslotte gaven de smokkelaars zichzelf aan, maar pas toen de hele afranseling had plaatsgevonden (...) De smokkel was verraden door een van de kampgenoten. De Jap wist ervan. Enkele dagen later werden wij weer verzameld. De Jap wees de verrader aan en wie met hem wilde afrekenen, kon zijn gang gaan. Wat er toen gebeurde was een schouwspel van wreedheid, dat mij vervulde met walging. De verrader werd getrapt en geschopt. Toen hij was neergevallen op de grond, trapten ze hem tegen het hoofd. De Jap maakte een eind aan het slaan en schoppen. Wij kunnen ons ook als beesten gedragen, drong het tot mij door in mijn jongenshoofd. Het was afschuwelijk en een slecht voorbeeld van onze beschaving, dacht ik toen nog heel naïef. Ik schaamde mij diep tegenover de Japanse commandant en tegenover de Indonesische heiho's”.