Junta Birma is niet van plan greep op het land te verliezen

RANGOON, 15 JULI. Urenlang heeft een groepje van een paar honderd aanhangers, gewapend met paraplu's tegen de overvloedige moessonregens, gewacht op een glimp van Aung San Suu Kyi. Dan verschijnt plotseling haar vriendelijke, frêle gezicht boven het door bamboe omgeven hek van haar huis. Een klaterend applaus klinkt op voor de vrouw, die tot maandag vermoedelijk de bekendste politieke gevangene ter wereld was sedert de vrijlating van Nelson Mandela.

Af en toe onderbroken door gejuich en applaus spreekt de vijftigjarige, maar veel jonger ogende Nobelprijswinnares haar supporterschare opgewekt toe in het Birmees vanaf haar erf. Dat er niet nog meer mensen op University Avenue staan, is vermoedelijk slechts te wijten aan de verlammende angst die de inwoners van Birma nog altijd in een wurggreep houdt. “De mensen herinneren zich de bloedige onderdrukking van de Democratische Beweging in 1988 nog maar al te goed”, zegt een buitenlandse waarnemer, die al jaren in Birma woont.

Allen weten bovendien dat wie Suu Kyi na de intrekking van haar zes jaar durende huisarrest al te enthousiast bejubelt, heel gemakkelijk verklikt kan worden door agenten van de alom aanwezige geheime dienst. Big brother kijkt overal mee. Lang niet alle fotografen ter plekke zijn van plan hun foto's te publiceren, sommigen werken voor de gevreesde inlichtingendienst en hebben meer interesse in de toeschouwers dan in de vermaarde oppositieleidster.

Vanaf de veranda van haar verveloze oude villa, aan de weelderig begroeide oevers van een stil meertje, staat Aung San Suu Kyi daarna de verzamelde wereldpers in de regen te woord. Zes jaar bracht zij hier, slechts vergezeld van een paar bedienden, in afzondering door. Aanvankelijk had zij nog een piano en luisterden voorbijgangers uit de verte naar haar spel, maar zelfs dit muzikale contact stak de machthebbers en in 1991 werd dit instrument op last van het regime weggehaald. Haar militaire bewakers moesten om de zoveel tijd worden vervangen, want anders raakten zij te zeer in de ban van de tengere, charmante vrouw, zo ontdekten hun superieuren.

Zorgvuldig haar woorden kiezend legt Aung San Suu Kyi in vlekkeloos Oxford-Engels uit dat zij zich nog aan het beraden is op haar volgende stappen, nu zij in principe vrij is om te doen en laten wat zij zelf wil. Veel laat zij niet los. “Ik ben voor rechtvaardigheid en democratie en alle andere goede dingen in de wereld”, grapt zij. Of dat betekent dat zij en de restanten van haar Nationale Liga voor Democratie ook bereid zijn met de militaire junta samen te werken, wil zij niet met zoveel woorden zeggen. Wel is zij bereid tot een dialoog. “Als er ook bij de militairen een werkelijke wil tot verzoening is.”

Of de militairen daarvoor echter in de stemming zijn, is de vraag. Er zijn sterke aanwijzingen dat de opheffing van het huisarrest van Suu Kyi niet een wanhoopsgebaar is van een in het nauw geraakt regime, maar veeleer een teken van zelfvertrouwen. Hebben de militairen eerder dit jaar immers niet kans gezien het verzet van etnische minderheden, vooral de Karen, grotendeels te breken? En is de oppositie langzamerhand niet gereduceerd tot een handjevol machteloze ballingen in het buitenland?

Zo durfden de generaals het wel aan het boegbeeld van de democratische oppositie vrij te laten. Daarmee zouden zij veel politiek krediet in het buitenland kunnen oogsten en de weg vrijmaken voor verse investeringen. Ook de Birmaanse junta heeft de laatste jaren het socialisme verwisseld voor het kapitalisme, zij het een variant waarvan de militairen in de eerste plaats zelf profiteren. Intussen lijkt de Staatsraad voor het Herstel van Wet en orde (SLORC), zoals de junta zich officieel noemt, volstrekt niet van zins haar ijzeren greep op het land te laten verslappen.

Veelzeggend is in dit opzicht dat het Internationale Comité van het Rode Kruis besloten heeft zijn kantoor in Rangoon, ondanks de vrijlating van Suu Kyi, te sluiten. De SLORC weigert hardnekkig de medewerkers van het Rode Kruis vrij toegang tot politieke gevangenen te verlenen.

Niet bekend

De grote vraag is nu hoe sterk de band tussen Suu Kyi en de bevolking nog is, nadat honderdduizenden in 1988 zich onvervaard aan haar zijde schaarden bij haar vreedzame strijd voor democratie. Op dit ogenblik durven echter slechts weinigen in Rangoon er openlijk voor uit te komen dat zij aanhangers van haar zijn. Alles dat naar politiek riekt, is al jaren taboe. Als buitenlanders een gesprek ook maar de lichtste politieke wending geven, doen de Birmanen er verder beleefd glimlachend het zwijgen toe. “Dat is ook wel begrijpelijk”, zegt een buitenlander. “Sommige mensen zijn voor vijf jaar de gevangenis in gegaan omdat ze even met een buitenlandse journalist hadden gepraat.”

Niettemin twijfelen maar weinigen eraan dat Suu Kyi nog steeds zeer geliefd is onder de bevolking. Een eerste test van haar populariteit zou een wat langere verschijning in het openbaar kunnen zijn. Tot dusverre heeft zij, voor zover bekend, haar erf sinds maandag pas twee keer verlaten. Eenmaal voor een bezoek aan een oogarts en een keer om haar in Oxford wonende Britse echtgenoot, de Tibet-kenner Michael Aris, en haar kinderen op te bellen. Zelfs een telefoon ontbreekt namelijk bij haar thuis. “Als je me wat wilt laten weten, kun je misschien nog het beste een postduif sturen”, zegt Suu Kyi.

Zo'n bezoek buitenshuis is vol risico's voor haar zelf en haar aanhangers. Het zou gemakkelijk tot ongeregeldheden kunnen leiden en wellicht zelfs tot doden. Zij overweegt op 19 juli, de dag waarop de martelaren van de Birmaanse onafhankelijkheidsstrijd worden herdacht, een krans te leggen bij een monument in de stad, zo zei zij gisteren. Die gelegenheid zou zeer beladen zijn, want de voornaamste martelaar was niemand minder dan haar eigen vader, generaal Aung San, die op 19 juli 1947 vlak voor het ontstaan van een onafhankelijk Birma werd doodgeschoten. Suu Kyi was toen pas twee jaar oud.

Als goede boeddhiste zou zij ook naar de beroemde, oeroude Shwegadon-pagode van Rangoon kunnen gaan, een zelfs voor militairen min of meer onschendbare plek. Vermoedelijk zouden er daar binnen de kortste keren duizenden mensen om haar heen zwermen en het bezoek zou kunnen uitgroeien tot een indrukwekkende betoging op een plek, waar historie en religie van het land elkaar ontmoeten.

Intussen maken in het bijzonder Aziatische zakenlui zich op hun activiteiten in Birma fors uit te breiden. Dat geldt zowel voor Japan als voor de Aziatische Tijgers, die er niet lang wakker van zullen liggen dat er nog geen herstel van de democratie in Birma bereikt is. Suu Kyi is vrij en daarmee kan de schone schijn worden opgehouden.

In het buurland Thailand hebben sommige politici de vrijlating van de oppositieleidster al verwelkomd als een triomf van de zogeheten politiek van constructive engagement, een beleid dat erop gericht is via onder meer commerciële contacten met de SLORC verbeteringen te bewerkstelligen in Birma.

Op de achtergrond speelt hierbij verder nog het verlangen een rol China enigszins de wind uit de zeilen te nemen. De junta had vooral de afgelopen jaren toen de rest van de wereld haar steeds meer links liet liggen, nauwere betrekkingen aangeknoopt met Peking. Niet in de laatste plaats op militair terrein. Vooral de Asean-landen sloegen deze toenadering met bezorgdheid gade en de constructive engagement beoogde hieraan iets te doen. Dat dit beleid de positie van de SLORC wellicht helpt versterken, namen de Asean-landen graag op de koop toe. Veel critici van de militairen zouden echter graag een hardere opstelling van de Asean zien en minder investeringen. Suu Kyi zelf heeft zich tot dusverre ook op dit terrein heel diplomatiek opgesteld. “Ik ben er nog niet uit of investeringen op dit moment nu goed of slecht zijn voor het land”, verklaarde zij gisteren. Ook wil zij zich nog eens verstaan met de voorstanders van constructive engagement.

Zo tast de winnares van de Nobelprijs voor de Vrede van 1991 na jaren van opsluiting in haar eigen huis voorzichtig de mogelijkheden af, die er voor haar en de Democratische Beweging anno 1995 nog zijn, terwijl de militairen van de SLORC hun knoet nog overal in de aanslag houden.