Groot verloop onder leidsters is riskant voor jonge kinderen; Crèches kunnen kinderen ook schaden

Niemand weet hoe het staat met de pedagogische kwaliteit van de kinderdagverblijven. Inspectie staat nog in de kinderschoenen. Leidsters komen en gaan. Worden kinderen alleen verzorgd of ook opgevoed? Controverses en twijfels rond een 'openbaar totaal-experiment'. De kinderziektes van een explosief gegroeide bedrijfstak. Kan een crèche de ouders vervangen?

“Ik ga nooit meer naar Pippeloentje,” had Jasmijn (3) gezegd, bij het opstaan. Maandagochtend, bij de geitenboerderij in het Amsterdamse bos. De moeder van Jasmijn heeft haar werk afgebeld. “Nu pieker ik hoe het verder moet. Want Jasmijn heeft gelijk. Het is gewoon niet leuk op dat kinderdagverblijf. De leidsters wisselen om de haverklap. En ze zijn zo onverschillig! Mijn kind wordt 's ochtends niet eens begroet.” Een andere moeder klaagt over de lange, lege dagen op de crèche. “Er hangt voor een paar duizend gulden aan muziekinstrumenten, maar daar wordt nooit iets mee gedaan. Opbergplaatsen voor kinderen zijn het.”

Zijn kinderdagverblijven wel goed voor kinderen? Of zijn ze alleen nuttig voor ouders? In vijf jaar tijd is het aantal crècheplaatsen explosief gegroeid, van 20.000 tot 100.000. “De kwantiteit heeft de eerste aandacht gekregen en de ontwikkeling van de kwaliteit heeft niet overal voldoende tot haar recht kunnen komen,” schrijft de commissie Kwaliteit Kinderopvang in haar eindrapport in 1994 aan minister d'Ancona. Dr. Elly Singer, ontwikkelingspsycholoog en tot voor kort docent vrouwenstudies pedagogiek, was lid van de commissie. Hoe zit het precies met de kwaliteit? “Dat weet niemand, dat is de ellende. Zelfs minimale inspectie naar brandveiligheid en groepsgrootte wordt door lang niet alle gemeentes uitgevoerd. Inspectie naar de manier waarop leidsters met kinderen omgaan is er al helemaal niet. De overheid heeft tot mijn ergernis gekozen voor zelfregulering. De branche moet zelf de kwaliteit gaan controleren. Maar dat staat echt nog in de kinderschoenen.”

Volgens Laurie Ickenroth van de sectie kinderopvang van de Vereniging van Ondernemingen in de gepremieerde en gesubsidieerde sector (VOG) is over twee jaar het 'zelfregulerende' kwaliteitsstelsel een feit. Nu worden daar 'instrumenten' voor ontwikkeld. In opdracht van het VOG schreef Liesbeth Pot, projectleider kinderopvang bij het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn, bijvoorbeeld een handboek over pedagogische kwaliteitsverbetering. Pot: “Het is na de stormachtige ontwikkelingen in de kinderopvang hoog tijd voor de vraag hoe je met kinderen omgaat.” Ze stelt voor om, naar Italiaans voorbeeld, crècheleidsters zes taakuren per week vrij te maken voor bijscholing en het werken aan pedagogisch beleid. “Dat kost extra geld. Zijn kinderen ons dat waard?”

Het verloop onder de leidsters is volgens het rapport van de Commissie Kwaliteit Kinderopvang twintig procent per jaar. Dat is hoger dan in de gezondheidszorg. Singer: “Als veel leidsters weggaan verdwijnt het werkplezier bij de rest. Kwaliteit bouw je op door samenwerking. Amerikaans onderzoek heeft een verband aangetoond tussen hoog verloop onder de leidsters en het slecht behandelen van kinderen. Eén kind wordt de klos, of een leidster kan haar handen niet thuis houden, en niemand durft dat aan te kaarten, of iedereen krijgt de pik op die ene moeder die met kritiek komt.”

Zijn er cijfers? Is er onderzoek gedaan? Kinderopvang is de hoeksteen van de vrouwen-emancipatie en het tweeverdienersmodel en daarmee haast een taboe. Vragen over de kwaliteit van de kinderopvang maken de betrokkenen zenuwachtig. Er is alleen een FNV-rapport uit 1990 waarin de kinderopvang een 'openbaar totaalexperiment' wordt genoemd. Op advies van dit rapport heeft de overheid basisnormen opgesteld, die de gemeentes moeten controleren, totdat de zelfregulering werkt. De leidsters moeten nu een MBO-diploma Kinderverzorging hebben. Twee leidsters mogen maximaal zestien kinderen opvangen. En de luiers mogen niet verwisseld worden op het zelfde aanrecht waar de boterhammen worden gesmeerd.

Opvoeding

De basisnormen garanderen dus een nette bewaarplaats. Maar kan een crèche kinderen iets extra's bieden? Bijvoorbeeld opvoeding? Singer vindt dat daartoe een speciale groepspedagogiek ontwikkeld moet worden. “Groepsopvoeding is wezenlijk anders dan opvoeding thuis,” meent zij.

Voor de opvoeding thuis is in de pedagogiek de gehechtheidstheorie van Bowlby de laatste decennia algemeen aanvaard. Sensitieve responsiviteit is daarin het kernbegrip: als de opvoeder met gevoel ingaat op de emoties van een kind, kan het zich hechten aan de opvoeder. Vanuit die veilige basis durft het kind de wereld te verkennen, er te spelen en zich te ontwikkelen.

Singer vindt de gehechtheidstheorie en de sensitieve responsiviteit echter onbruikbaar voor een groepspedagogiek. “De moeder of de leidster wordt dan onnodig belangrijk gemaakt. We onderschatten hoe kinderen zich aan elkààr hechten. Op een crèche moet je stimuleren dat kinderen samen spelen en met elkaar conflicten oplossen. Als je er altijd op af stormt als kinderen huilen of ruzie maken, gaan ze zich teveel op volwassenen richten.”

Prof. dr. Rien van IJzendoorn, pedagoog en de belangrijkste Nederlandse onderzoeker naar gehechtheidsrelaties, reageert: “Ik ben er fel tegen gekant om kinderen naar elkaar te verwijzen, in plaats van naar opvoeders. Vanuit een vertrouwde relatie met zijn crècheleidster kan een kind met leeftijdsgenootjes spelen en van hen leren, maar de eerste behoefte van kleine kinderen is een volwassen gehechtheidsfiguur, bij wie ze terecht kunnen met hun negatieve emoties.” Leidsters moeten dus, net als de ouders thuis, sensitief reageren op kinderverdriet? “Absoluut. Nog afgezien van de ontwikkelingskansen, op het moment dat een kind zich bezeert, of onheus wordt bejegend door een ander kind, of moe is, moet je hem dan de troost van een volwassene onthouden? Het hier en nu is voor een klein kind de eeuwigheid.”

Singer: “Ik ben niet tegen troosten, maar wel tegen betuttelen. Op de crèche moet je stimuleren dat kinderen zich hechten aan elkaar en zich veilig voelen omdat ze horen bij een groep. Er is in onze maatschappij gebrek aan waardering voor hetgeen jonge kinderen van elkaar leren en met elkaar beleven.” Voor ouders komt die band tussen kinderen onderling echter op de tweede plaats, bleek uit onderzoek van Singer. Ouders zien de leidster als een vervangende moeder. De band tussen hun kind en zijn juf vinden ouders belangrijker dan de groepsband.

Ritueel

De tafelmanieren zijn indrukwekkend, op kinderdagverblijf het Kwetternest in Amsterdam. Keurig wachten de peuters tot iedereen een boterham heeft. Hoe zoeken leidsters naar een crèche-pedagogiek? Regels en rituelen lijken de pijlers van de groepsopvoeding-in-wording. “Waffaé, blijven zitten, anders word ik boos,” zegt leidster Naima. “Niet praten met je mond vol.” Na de lunch is het slaapritueel. Plassen, tanden poetsen, Tamara leest voor over een reus. “Nog een keer!” Dan gaan de peuters op een rij, handjes op elkaars schouders, zingend over een eekhoorntje, in een soort polonaise naar de slaapzaal. Vierentwintig kinderen slapen er, in driehoog-stapelbedjes.

Het Kwetternest kent weinig verloop. Dat is de reden dat het goed draait, denkt manager Ineke Boomman. Een knelpunt is dat zieke leidsters wegens geldgebrek niet vervangen worden. Elke ochtend en elke middag werken de leidsters toch al een paar uur alleen. Het Kwetternest is open van zeven tot zes, omdat de fabrieken waar veel Turkse ouders werken vroeg beginnen. “Ik wil baby's zoveel mogelijk door dezelfde leidster laten verzorgen,” zegt Ineke Boomman, “maar dat is lastig te organiseren.” Ook peuters willen dat hun eigen juf er is. “Ze gaan naar het Kwetternest, maar ze gaan vooral naar Naima en Tamara.”

Prof. van IJzendoorn: “Kinderopvang is een feit en ontlast ouders bij hun opvoedingstaak, maar onderzoek heeft aangetoond dat middelmatige crèches wel degelijk schadelijk kunnen zijn voor de ontwikkeling. Ik wil ouders niet nog bezorgder maken, hun bestaan is al zwaar genoeg, maar als wetenschapper moet ik kunnen zeggen waar het op staat. Ik denk dat het gemiddelde Nederlandse kinderdagverblijf van dit moment niet beter is dan de doorsnee-Amerikaanse crèches, waar onderzoek werd gedaan. We moeten niet te licht denken over voltijdse crèches voor baby's.” Schade kan worden berokkend als crèche-baby's teveel verschillende gezichten zien en zich daardoor aan niemand meer hechten. Veel binnenlands en buitenlands onderzoek heeft aangetoond dat 'onveilig gehechte' kinderen zich slechter ontwikkelen, sociaal, emotioneel en cognitief, dan kinderen die opgroeiden vanuit een veilige basis. “Baby's die zich niet goed hebben kunnen hechten aan een paar vaste opvoeders, blijken, wanneer je ze op schoolleeftijd opnieuw onderzoekt, de minst weerbare kinderen. Het zijn de buitenbeentjes, de te agressieve of juist teruggetrokken kinderen.”

Van IJzendoorn heeft vanwege de aangetoonde schade een voorkeur voor langere ouderschapsverloven, waardoor kinderen tot hun eerste verjaardag thuis door hun vader en moeder opgevoed kunnen worden. “In ieder geval moeten we hard werken aan de kwaliteit van de kinderdagverblijven. Een goede crèche kan wel degelijk een positieve invloed op kinderen hebben.” Hij verwijst naar onderzoek op moderne kibboetsen. Daar ging de vaste crècheleidster zo sensitief met kinderen om en waren de ouders zo betrokken, dat er méér kinderen veilig gehecht waren dan in het gemiddelde Westerse gezin. “Fout in Nederland is dat op de meeste crèches kinderen tegen hun tweede verjaardag van de babygroep naar de peutergroep gaan. Een kind moet van het begin tot zijn vierde verjaardag bij dezelfde leidster blijven. Zo werken de betere kinderdagverblijven.” En hij betreurt het dat de Commissie Kwaliteit Kinderopvang koos voor opvang en niet voor opvoeding als primair doel van het kinderdagverblijf. Het beleidsadvies: “Het gebruiksdoel van kinderopvang is ouders/verzorgers in de gelegenheid te stellen andere taken te vervullen.” Van IJzendoorn: “De crèche als bewaarplaats waar zelfredzaamheid wordt geleerd, is de tering naar de nering zetten.”

Konijntjes

Een mini-advertentie in een zaterdagkrant. Particulier kinderdagverblijf Dromelot, met een 'unieke, eigen visie' vraagt 'met name de wat oudere mens' te solliciteren als invalkracht. Schuilt achter deze oproep misschien een echte crèchepedagoog? In 1993 begon Claasje Kos (47) een crèche in een oud huis aan het Amsterdamse Vondelpark. “Wij hebben weinig speelgoed. Bergen speelgoed vormen een afkoopsom. 'Ah joh, kom op, pak je fietsje', zo sturen leidsters op gewone crèches verdrietige kinderen vaak weg. Wij troosten en geven warme, individuele aandacht, altijd weer. Het kind heeft de garantie dat hij de leidster zijn gevoelens altijd erkent. En zo durft hij de leidster los te laten en te gaan spelen.” Nee, ze is geen pedagoog. “Wetenschap wordt heen en weer geslingerd door modes. Ik kom uit een gezin van tien kinderen en ik heb zelf kinderen. Ik heb op scholen en speelzalen meegeholpen en ik ben gastouder geweest. Ik werk vanuit mijn levenservaring.”

Claasje Kos is bezig met een pedagogisch werkplan. “Ik ben nog wel aan het bijschaven. We gebruiken katoenen luiers en geven de kinderen biologische voeding. Sommig speelgoed van natuurlijke materialen, hout en stof, bleek echter niet hygiënisch genoeg. Ik ben van plan naast de buitenspeelplaats een moestuintje te maken voor de peuters, en ik wil konijntjes.”

De leidsters, waaronder ook een man, zijn intens op de kinderen gericht. Uitgebreid worden de kinderen bij iedere wrijving getroost. De dreumesen worden in de armen genomen en gekoesterd. Claasje Kos: “Het verdient zich terug. Kinderen voelen zich zo veilig door onze aandacht. Zie je hoe rustig ze spelen?” In de peutergroepen is de sfeer inderdaad bijzonder vredig, maar in de babygroepen hoor ik veel gehuil. Dat komt door mijn bezoek, zeggen de leidsters. Vreemden, daar worden baby's onrustig van. Een plaats op Dromelot kost 1800 gulden per maand, een gemiddelde prijs, voor vijf dagen per week. Claasje Kos heeft kinderen het liefst drie of vier dagen. “Bij vijf dagen wordt de band met de leidsters sterker dan die met de ouders.”

Alles draait om vertrouwen tussen ouders en leidsters, zegt Claasje Kos. Als ouders kritiek hebben, vervolgt ze, komt dat vaak voort uit privé-stress. “Als je op je tenen loopt als werkende moeder en kritiek krijgt op je keuze voor kinderopvang, kan een klein incident de druppel zijn waardoor je uit je dak gaat. De betreffende leidster is dan de pispaal. Dat gebeurde laatst toen wij een kindje met waterpokken te ziek vonden voor de crèche. Die moeder barstte uit. Later bleek dat ze zo onder druk stond op haar werk dat een ziek kind haar teveel werd. Ze heeft ontslag genomen. Een heel verstandig besluit.”

Ineke Boomman van het Kwetternest verwacht een nieuw knelpunt in de kinderopvang: ouders die steeds meer praktische en pedagogische wensen kenbaar maken, terwijl leidsters ook naar eigen inzicht willen werken. “Een van onze Turkse vaders wil per se geen zanderig kind thuis krijgen. Moet je als leidster dat kind dan uit de zandbak houden? Reinheid of lekker knoeien?”

Ouderdier

“Ouders hebben en durven nu niets in te brengen, dat is het grootste probleem in de kinderopvang,” vindt Dick Jansen, vader van twee crèchekinderen en voorzitter van de Belangenvereniging (in oprichting) van Ouders in de Kinderopvang (BOinK). Een stevige klantenorganisatie is een voorwaarde voor kwaliteit, stelt hij. “Als 'ouderdier' heb je een oerangst om je kind over te dragen. Je gaat uiterst omzichtig om met de leidsters, uit angst dat ze niet aardig zijn voor je kind. Je zegt niets en een half jaar later, als je je wat vertrouwder voelt, is dat een ingesleten patroon. Ik vind het een taak voor de leidsters om een sfeer of een overlegvorm te scheppen waarin ouders frank en vrij met hen van gedachten kunnen wisselen.”

“Wij zijn geen club van verontruste ouders,” benadrukt hij. Vanuit een positieve houding tegenover kinderopvang wil de BOinK de positie van ouders versterken en meedenken over crèche-pedagogiek. “Oudercommissies zijn nu feestcommissies. Als ze inzage willen in het pas opgestelde pedagogische werkplan doet het bestuur moeilijk.”

Okke de Weerdt, internist-in-opleiding en vader van vier kinderen, kan na acht jaar oefenen onthullen hoe je kunt communiceren met crècheleidsters. Omdat zijn vrouw ook specialist-in-opleiding is, gaan hun kinderen vijf dagen per week naar de crèche. “We waarderen het kinderdagverblijf vanwege de unieke wijze waarop kinderen samen spelen, leren en vriendschap sluiten.” Het begin was moeilijk. “We vonden het crècheritme te druk en vermoeiend voor onze baby. Ik was de boze vader, toen ik dat aankaartte en uiteindelijk eiste dat Erik meer moest slapen. Ik bleef de kwaaie pier. Voor de vader van Erik moet je oppassen, wisten alle leidsters.”

In de loop van de tijd ontdekte het echtpaar de Weerdt dat een persoonlijke relatie met de leidsters de perfecte manier was om problemen bespreekbaar te maken. “Ik schijn de enige vader te zijn die wel eens een taart voor ze bakt en die vraagt 'hoe gaat het met jou?'. We vragen de leidsters ook regelmatig te eten. Doordat we zeggen wat ze goed doen, kunnen we nu ook zeggen wat ze niet goed doen. Zeur als ouder niet over de verfvlek in de trui van je kind, maar toon je waardering dat ze zo leuk hebben geschilderd. Crècheleidsters voelen zich ontzettend ondergewaardeerd.”

Twijfels

Stel dat we inderdaad een kwalitatief hoogstaande, individu-gerichte, 'sensitieve' crèche, met goedbetaalde leidsters willen, die zich zes uur per week bezinnen op pedagogiek. Pedagoog Peter Cuyvers schat het bedrag ouders voor zo'n crèche moeten gaan betalen: 40.000 gulden per kind per jaar. Nu kost een kindplaats gemiddeld 20.000 gulden. “Kunnen ouders dan niet beter minder tijd aan betaald werk en meer tijd aan hun kinderen besteden?” Cuyvers is stafmedewerker bij de Nederlandse Gezinsraad. Hij spreekt op persoonlijke titel, al denkt hij dat andere pedagogen ook worstelen met twijfels over crèches. “De Gezinsraad heeft tien jaar gepleit vóór kinderopvang!” Hij wil graag openheid. “Doen we er als maatschappij wel goed aan crèches te propageren? Moeten we niet zuinig zijn op het kostwinnersprincipe? Moeten we niet kiezen voor minder consumptie?” Cuyvers zelf koos voor een bestaan als huisman, toen zijn vijf kinderen klein waren. Ze leefden van de zeventienhonderd gulden per maand die zijn vrouw verdiende. Na zijn vijfendertigste begon hij aan zijn carrière.

Cuyvers vindt niet dat kinderen in een uithoekje van hun ouders' drukke bestaan ingeroosterd kunnen worden. “Alleen supermensen kunnen de niet met elkaar sporende systemen van gezin en carrière verenigen. Vrouwen stellen het krijgen van kinderen daarom steeds langer uit. Je kunt ook je carrière uitstellen of gewoon minimaal werken voor je brood. Ik weet het, te vaak wordt de vrouw de dupe van dit dilemma.”

Hij vindt ouders de beste opvoeders. “Ik betwijfel zelf of het leuk is voor baby's om professioneel verzorgd te worden op een soort schooltje. Maar de enigen die in staat zijn om de gevolgen van kinderopvang voor hun eigen kind in te schatten, zijn de ouders zelf.”