Gewond dier

In beginsel hebben wij geen agapanthustuin: daar heb je volle zon voor nodig. Maar er zijn wel een paar plekken geschikt voor agapanthussen in potten, en daar staan zij, bij elkaar bescherming zoekend, de overlevenden van mijn achtereenvolgende agapanthusbevliegingen. Het zijn bloemen die ik buitengewoon mooi vind, de absolutie essentie van zomer. Hun bloei roept in mijn ogen een soort formalisme op: terrassen in plaats van gazons, elegante terracotta potten inplaats van cottage-tuinen. Het is thee van uitstekende kwaliteit, die in hun buurt wordt gedronken.

Merkwaardig dat planten in zo korte tijd een zo uitgebreid arsenaal van associaties kunnen verwerven: vijf jaar geleden had ik nooit van agapanthussen gehoord, en zou ik de naam waarschijnlijk eerder met Christelijke liefdemaaltijden in verband hebben gebracht dan met planten. Ik maakte kennis met de agapanthus in Better Gardening van Robin Lane Fox, het eerste tuinboek dat mijn keuze van planten heeft beïnvloed. Van die oudste sedimentlaag is nu niet veel meer over. Geranium himalayense is er nog en evenzo Ceratostigma willmottianum, twee stille getuigen van Robins voorliefde voor de kleur blauw; maar van de rest is niets meer over. Het meest betreurd de Campanula persicifolia, blauw uiteraard, die zich bij ons nooit senang heeft gevoeld.

Het advies van Lane Fox indachtig: “Ze zijn fysiek en esthetisch op hun best onder een naar het Zuiden gekeerde muur” - plantte ik mijn agapanthussen (gekocht bij Tuincentrum Florida in Boskoop, nu ook helaas verdwenen) in een border waar ze niet doodgingen maar ook niet leefden. Toen ik me het daaropvolgende voorjaar over hen ontfermde waren ze een kalenderjaar ouder maar fysiek volstrekt onveranderd, drie miniatuur Schone Slaapsters. Nadat ik ze in een pot bij elkaar had gepropt, zoals een specialist mij geadviseerd had te doen, begonnen ze prompt te bloeien. En toen bleken het natuurlijk twee blauwe en één witte te zijn, inplaats van drie blauwe.

Waar de agapanthus uiterlijk het meest op lijkt is de archiefkastenplant, die (in Frankrijk en Engeland tenminste) in kantoren groeit en van tijd tot tijd lange neerhangende scheuten uitzendt. Daar zitten weer nieuwe plantjes aan, die dan tussen de laden komen. Onze plant heeft net zulke langwerpige glimmende bladeren en dezelfde stuurse gelaatsuitdrukking. En net als bij haar nichtje op de archiefkast komen die uitlopers er aan terwijl je niet kijkt. Je verrast er nooit een die bezig is met uitgroeien: je bekijkt een plant die gisteren nog een vuist vol bladeren was en ziet dat er nu een stengel van een halve meter uit omhoog is geschoten. Het is iets karakteristieks voor planten met dunne langwerpige bladeren; irissen doen het ook, en kniphofia.

Een bloeiende agapanthus biedt een onvergetelijke aanblik. Het boek van Roger Philips en Martyn Rix, Perennnials, bevat een paar foto's van ze, in het wild in Zuid-Afrika, waar alle soorten vandaan komen; de meest frappante foto is van A. campanulatus ssp. patens, in de Oranje Vrijstaat. Daar staan ze, een klein groepje planten die er, in mijn ogen tenminste, volstrekt stedelijk uitzien, midden in een uitgestrekt heuvelachtig grasland, zo ongerijmd alsof ze daar waren gedropt door een vliegtuig. De andere soorten lijken ook van graslanden te houden, wat nogal vreemd is als je gewend bent ze in potten te zien, maar een van de redenen dat ze oorspronkelijk in potten zaten is dat de eerste die in Europa werden geïntroduceerd (toen bekend als A. umbellatus, nu A. praecox) niet winterhard waren.

Die reputatie hebben ze in feite nog steeds, onverdiend volgens Lane Fox. De meest winterharde en best verkrijgbare zijn de Headbourne Hybriden. Deze werden in de late jaren '40 gekweekt door de Hon. Lewis Palmer in zijn tuin in Headbourne Worthy, Hampshire, uit zaden afkomstig van de agapanthus verzameling in de Kirstenbosch-Plantentuin bij Kaapstad. Volgens Phillips en Rix kweekte hij 300 zaailingen en selecteerde daaruit de beste, niet alleen op kleur maar ook op winterhardheid. Daarmee heeft hij vervolgens de markt weten te verzadigen.

Lane Fox adviseert je eigen agapanthussen te kweken, met de Headbourne Hybriden als ouders; wanneer je dan een goede hebt vermeerder je die door scheuren. Maar andere auteurs zijn minder enthousiast. Christopher Lloyd zegt humeurig, in Garden Flowers from Seed, dat “er een hoop zelfgekweekte rommel in omloop is, met vuilblauwe bloemen. De Headbourne Hybriden... zijn flink gedegenereerd als stam.” Volgens Graham Rice, in hetzelfde boek, is er vooruitgang want er is nu vraag naar de agapanthus als snijbloem en “er is zaad van hoge kwaliteit van deze stam beschikbaar uit Nederland”. Graham Stuart Thomas waarschuwt dat sommige van de donkere blauwe bloemen “neigen naar roodachtig paars, hetgeen een groot nadeel is.”

Geen van de mijne hadden een naam; ze zijn blauw of wit. Maar de meest interessante moet nog bloeien. Die heb ik vorig jaar op een nacht aangetroffen op het trottoir, met een gebroken bloemstengel, weggegooid door een bloemisterij. Haar meenemen naar de tuin was iets als het redden van een gewond dier - zij het aanmerkelijk minder bewerkelijk. Het herinnerde mij ook aan wat een bloemist in onze buurt in Parijs placht te zeggen: dat het een treurige zaak is dingen te verkopen die al half dood zijn. Maar deze plant, of beter gezegd planten, want het zijn er drie, zijn niet dood en alle drie hebben nu een lange bloemstengel omhoog gezonden. Aangezien er een agapanthus is genaamd 'Ben Hope', kan ik geen weerstand bieden aan de verleiding de mijne 'Ben Trovato' te noemen.