EEN RADIOACTIEF DUIVELS EILAND; Mururoa mon amour

President Chirac wil de kernproeven op het Franse atol Mururoa die in 1991 werden gestaakt, dit najaar hervatten. Tegen een golf van buitenlandse protesten in. De Brit Matthew Whiting werd begin jaren tachtig als soldaat naar het strafkamp van het Franse Vreemdelingen-legioen op Mururoa gestuurd. Karel Knip beschrijft de geschiedenis van de Franse kernproeven.

Als ons verteld werd dat er een nucleaire test zou worden gehouden, daalde er een doodse stilte over het atol. Alle apparatuur werd veilig opgeborgen in speciale loodsen en vastgesnoerd met touwen. Alle schepen werden uit de lagune gevaren en op een 'veilige' afstand voor anker gelegd. Ramen en deuren werden gesloten en alle documenten opgeborgen in brandkasten. Grote en dure machines, zoals kranen werden op speciaal aangelegde bruggen gereden; het personeel kreeg een hoog gelegen platform toegewezen.

Deze platforms - ze leken op grote, stalen boksringen, met tralies als touwen om de 'deelnemers' binnen te houden - gaven van boven uitzicht op het atol, een streep zand die in een bocht de lagune omarmde. De platforms waren bedoeld om de mensen veilig boven de zeespiegel te houden, voor het geval het eiland scherp zou dalen als gevolg van de explosie, of als een nucleaire vloedgolf het eiland zou overspoelen. Een stuk van het atol was beneden de zeespiegel al afgebroken; honderden dode vissen waren daardoor aangespoeld. Het Vreemdelingen-legioen moest het allemaal opruimen.

Zodra een testlocatie was voorbereid, moest al het personeel binnen blijven totdat de order kwam om de platforms te beklimmen. De stilte van de mensen, hun in elkaar gedoken lichamen - ik vergeet nooit hoe bang en verward iedereen was, als de enorme vernietigende kracht van de explosie voor de deur stond. Bij het geluid van de sirene kreeg iedereen een glazige blik in de ogen. Terwijl we ons aan van alles vastklampten - een keer zag ik een legionair met een foto van z'n dochter in z'n vuist geklemd - begon de aarde langdurig te grommen. Veertig kilometer rotsen, zand, bomen, mensen en gebouwen werden als een boomblaadje in de orkaan heen en weer geschud. De platforms zwaaiden ongeveer twaalf tot vijftien seconden heen weer, onzeker, alsof hun benen gebroken waren. Schokgolven verplaatsten zich over de hele lengte van het eiland.

Tijdens mijn verblijf op Murururoa was de dichtstbijzijnde explosie slechts vijf kilometer van de dichtbevolkte 'Zone de Vie' verwijderd, en de verste 22 kilometer. Het atol is over de hele lengte doorzeefd met oude testlocaties. Ik heb er zelf 52 geteld. Ze zien eruit als grafstenen.

Bescherming

Voordat er een bom op een testlocatie kon afgaan, moest het Legioen een betonnen vloertje storten voor de apparatuur. Ander militair personeel en de wetenschappers boorden dan het gat voor de nucleaire lading. De locatie veranderde vervolgens in een bijenkorf: overal was activiteit, overal stond electronische apparatuur opgesteld. Er kwamen pijpen uit de grond, koelleidingen staken uit merkwaardige porta-cabins. Wij dachten dat ze de ladingen tot een diepte van duizend meter lieten zakken en dan met beton afsloten. Er liepen allerlei draden naar een rood-en-wit geschilderde stellage, die in de lagune dreef.

De wetenschappers en het andere personeel droegen altijd beschermende kleding. Aan ons, de legionairs, werd nooit enige bescherming uitgereikt. We liepen rond in khaki shorts en gympies, of in gevechtstenue als we een testlocatie moesten bewaken. Dat was dan vlak naast het raketvormige voorwerp waarmee ze de bom in het gat lieten zakken, uitgehakt in de ruggegraat van het eiland.

Tussen de explosies en het herstellen van de restanten van het paradijselijke eiland door, waren we constant bang en paranoïde. Bang om stralingsziekte op te lopen, paranoïde voor iedereen. We waren getuigen van de donkere kant van de menselijke natuur. Als de mens dit de zee en het dierlijke leven kan aandoen, wat zou er dan wel niet met ons kunnen gebeuren?

Ik was op 17 november 1982 naar Mururoa gevlogen, samen met een dozijn collega's. Voor ons lag een jaar dwangarbeid in het strafregiment, het vijfde Regiment Mixte du Pacifique. We waren afkomstig uit alle hoeken van de wereld waar het Legioen gelegerd is. Djibouti, Tsjaad, de Centraal Afrikaanse Republiek, Madagascar, Frans Guyana en, in mijn geval, uit Corsica, van het parachutisten regiment, het Tweede REP.

Ik had in juli bij het Legioen 1980 dienst genomen, nadat ik het een jaartje bij de Britse Light Infantry in Hong Kong had geprobeerd en drie jaar uitzichtloze baantjes in Engeland achter de rug had. Maar in 1982 had ik al genoeg van het willekeurige geweld en de idiote tradities. Ik haalde uit en brak de neus van een superieur. De krijgsraad veroordeelde me tot een jaar dwangarbeid op een modern Duivels Eiland, Mururuoa in het zuiden van de Stille Oceaan. Tussen 17 november 1982 en 17 november 1983 heb ik vijftien onderaardse explosies bijgewoond.

Mururoa is een klein atol tussen Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Amerika. Het ligt maar een paar honderd mijl van Tahiti. De omliggende wateren zitten vol haaien; het atol zelf ligt maar 3,5 meter boven de zeespiegel. Net als de meeste atollen heeft 'Muru' de vorm van de letter C. Van punt naar punt is het ongeveer veertig kilometer lang. Er is een kleine militaire haven, een landingsbaan waar oude Caravelles en DC 8-toestellen voorraden brengen - en gedetineerden.

In het strafkamp woonden er tussen de 100 en de 150 mannen. Wij werden bewaakt door drie ploegen van twaalf man elk, officieren en militaire politie, die vrijwillig op Mururoa dienden - en met beschermende kleding waren uitgerust. Op de militaire luchthaven werd ons opgedragen gedurende het hele jaar te zwijgen, tenzij we het bevel kregen onze mond open te doen. Ongeveer halverwege het atol is de Zone de Vie, waar we 's nachts in krappe slaapbarakken onder elkaar lagen te fluisteren. De barakken hadden geen tralies of afgesloten deuren. Maar ook al zouden we ontsnappen, waar zouden we dan naar toe zijn gegaan?

Het atol is verdeeld in kilometer-secties of 'Points kilométriques' (PK's). Langs beide zijden van de enige weg op het eiland stonden verbodsborden die radioactieve gebieden aanduidden, die alleen met speciale toestemming betreden konden worden. Wij legionairs werden vaak gedwongen zonder bescherming in deze gebieden te werken.

Iedere dag werden we om vijf uur 's ochtends gewekt, afgemarcheerd of per vrachtwagen afgevoerd naar een bepaalde kilometer-sectie, afhankelijk van wat er gedaan moest worden. De weg die van de ene punt naar de andere van het atol liep had geen officiële naam. Onder ons stond die weg bekend als de 'Route à Nulle Part' (de Road to Nowhere, naar het nummer van de Talking Heads). De weg werd omzoomd door stukken koraal en waterpoelen. Niemand mocht de lagune in, maar wij werden vaak gedwongen om in de radioactieve gebieden emmers te vullen met het water uit deze poelen. Zo konden we ons radioactieve cement mixen, waarmee we de radioactieve scheuren in de radioactieve weg konden repareren.

Wegzinken

Een doorsnee dag was lang, heet en inspannend. We mengden cement om de scheuren te vullen, waarbij we er lange staven instopten en dan het beton erin goten. Vaak moest ik tot op een diepte van vijf meter boren om deze staven in te brengen. De pneumatische boor vrat zich in de aarde en besproeide mij en de machinerie met nat zand en koraal. De staven en het beton moesten dienen om het eiland in één stuk bijeen te houden, hoewel ik me steeds op de gedachte betrapte dat het eiland op een dag in stukken uiten zou vallen en wegzinken in de radioactieve diepten van de anders zo prachtig blauwe Stille Oceaan.

Op een snikhete dag was ik aan het boren in een 'Zone Chaude', een gebied dat als zeer radioactief was aangemerkt, toen twee mensen verschenen, gekleed in de gebruikelijke beschermende kleding en gasmaskers. Ze hadden allebei geigertellers die met plakband waren bevestigd aan de uiteinden van ziekenhuiskrukken. Terwijl ze langsliepen vroeg ik ze tot welke diepte ze radioactiviteit konden meten. Een van hen antwoordde dat ze tot zeven centimeter konden meten. “Maar ik boor tot een diepte van vijf meter!” Dat was pech, zeiden ze, maar aangezien ik legionair was moest ik me daar het hoofd maar niet over breken.

In de loop van die dag vertelden zij een van de officieren hierover en werd ik flink in elkaar geslagen, waarbij ik een gebroken neus opliep. Wij waren bij PK 14aan het werk en ik moest de rest van de week de veertien kilometer naar de Zone de Vie elke avond onder begeleiding van de militaire politie hardlopend afleggen, terug naar de cel.

Haai

Af en toe moesten we onze behoefte doen in een yoghurtpotje en urineren in flessen die dan werden gestuurd naar het Centre des Experiments du Pacifique in Tahiti. We hebben nooit iets gehoord over de resultaten van deze proeven. Voordat ik Mururoa verliet moest ik plaats nemen in een metalen apparaat, een spectrometer, dat de straling in mijn lichaam zou meten, maar over de uitslag heb ik niets vernomen.

Evenmin hebben we ooit iets gehoord over de zes legionairs die op mysterieuze wijze verdwenen nadat ze stukken van een haai hadden gegeten die we hadden meegenomen uit de lagune van Mururoa's 'zuster in de dood', het naburige atol Fangataufa. In september 1983 kreeg ik opdracht om naar Fangataufa te gaan - een tochtje van een uur met een motorbootje - om wat plantjes te halen die een voorzichtige poging deden daar te groeien. Kennelijk waren de korporaal en ik de eersten die het eiland betraden sinds de jaren zestig, toen de Fransen ophielden met hun atmosferische proeven - nucleaire ladingen die tot ontploffing werden gebracht terwijl ze aan ballonnen hingen.

We brachten een kleine zandhaai terug naar Mururoa en die zes legionairs aten die op. Zo'n zes tot acht weken later werden ze ziek, misselijk, draaierig. Op een dag merkte iemand dat we ze al enige tijd niet meer hadden gezien. En we hebben ze ook nooit meer teruggezien. We waren altijd bang dat we ook besmet waren geraakt, net als sommige van de blinde katten die over het atol rondstruikelden. (Een korporaal die krankzinnig was geworden, kreeg tot taak om het atol te patrouilleren en ze af te maken).

Op Mururoa had iedereen een goede reden om zenuwachtig te zijn. In het begin ben je bezorgd over de straling. Je wordt steeds banger, je krijgt angstaanvallen, maar op den duur word je lethargisch. Iedereen loopt er met gebogen schouders en hangend hoofd door het stof te sloffen: I cannot change the heat of the sun. Je legt erbij neer dat je waarschijnlijk aan een door straling veroorzaakte vorm van kanker zult overlijden. Inmiddels heb ik zelf problemen met klieren en mijn prostaat en is mijn haar erg dun geworden. De enige angst die je op het eiland blijft houden, is voor het Legioen. Ik ben me ervan bewust dat ik nu ook mijn leven riskeer door over deze zaken te schrijven.

Je kon nooit helemaal zeker weten tot welk militair onderdeel iemand behoorde. Tijdens mijn verblijf op het atol kreeg een aantal legionairs bevel om de uniformen van de Franse marine aan te trekken en aan boord het schip van een milieu-actiegroep te gaan. Ze kregen opdracht om bepaalde apparatuur te vernietigen, bijvoorbeeld de radar . Ze pochten zelfs dat ze bemanningsleden “onder handen hadden genomen”. Het schip was de Pacific Peacemaker (van een kleine Australische actiegroep die vanaf begin jaren tachtig tegen nucleaire proeven heeft geprotesteerd bij Mururoa, Tahiti en de Amerikaanse stad Seattle, red.). Het hinkte terug naar waar het ook vandaan gekomen was, na zich te hebben ingelaten met de mannen op Mururoa.