De kans op een catastrofe

President Chirac wil de kernproeven op het Franse atol Mururoa die in 1991 werden gestaakt, dit najaar hervatten. Tegen een golf van buitenlandse protesten in. De Brit Matthew Whiting werd begin jaren tachtig als soldaat naar het strafkamp van het Franse Vreemdelingen-legioen op Mururoa gestuurd. Karel Knip beschrijft de geschiedenis van de Franse kernproeven.

Onder druk van de publieke opinie sloten de VS, Rusland en Engeland in 1963 een beperkt kernstopverdrag waarbij ze van bovengrondse kernproeven afzagen. In datzelfde jaar liet Frankrijk in de Stille Oceaan de atollen Mururoa en Fangataufa door het Vreemdelingenlegioen ontruimen om er een serie kernwapens tot ontploffing te brengen. Frankrijk had zich, evenals China, niet bij het verdrag aangesloten omdat het vond dat het nog een grote achterstand moest inlopen. Pas in 1960 immers was in de Algerijnse Sahara de eerste Franse kernbom ontploft. De drie andere staten lagen tien jaar voor.

Toen Algerije in 1962 onafhankelijk werd moest een nieuw testgebied worden gevonden. In 1966 dreunden de ontruimde Franse atollen voor het eerst onder het geweld van de splijtingsbommen, in 1968 kwamen er de indrukwekkende waterstofbommen (fusiebommen) bij. Stuk voor stuk werden ze in de atmosfeer tot ontploffing gebracht.

In 1972 en 1973 voerde de toen nog jonge en weinig bekende Canadese milieuorganisatie Greenpeace voor het eerst bloedstollende acties uit bij Mururoa. In dezelfde periode werd Frankrijk regelmatig voor zijn gedrag veroordeeld op bijeenkomsten van de Verenigde Naties. In 1974 besloot het land tenslotte te stoppen met de proeven in de atmosfeer en ging men 'ondergronds'. Het testprogramma duurde voort tot 1991, het jaar waarin president Gorbatsjov eenzijdig een moratorium op kernproeven afkondigde en andere landen zijn voorbeeld volgden. Frankrijk had toen 131 ondergrondse kernproeven genomen, het merendeel op Mururoa, een klein deel op het nabijgelegen atol Fangataufa.

In september van dit jaar wil Frankrijk met nieuwe experimenten beginnen. Daarmee wordt een kleine traditie in ere hersteld: ook in februari 1960 had Frankrijk met zijn eerste atoomproef in de woestijn het toen bestaande moratorium op kernproeven (waartoe de VS en de Sovjet-Unie in 1959 hadden besloten) doorbroken.

Opnieuw vindt Frankrijk Greenpeace als voornaamste tegenstander tegenover zich. Vrezen anderen het begin van een nieuwe wapenwedloop, Greenpeace wijst vooral op de grote milieubezwaren van ondergrondse proeven. Nu al zou veel schade aan de natuur zijn toegebracht. Lokale vis zou oneetbaar zijn.

Gevaar

Is er schade of gevaar van ondergrondse kernproeven te vrezen? De Franse overheid zegt van niet, maar overlegt weinig materiaal dat dat kan bevestigen - en doet de proeven altijd in voormalige kolonieën en nooit in bijvoorbeeld het eigen Massif Central. Over de inrichting van de proeven op Mururoa worden vrijwel geen mededelingen gedaan. Aannemelijk is dat opzet en procedures niet veel anders zijn dan die van de ondergrondse Amerikaanse proeven op de Nevada Test Site (NTS), die al in 1951 in gebruik werd genomen en na 1963 als voornaamste nucleaire testgebied voor de VS en Engeland overbleef. Bekend is dat het Franse Commissariat à l'Energie Atomique het gebied regelmatig bezocht, maar er geen proeven uitvoerde.

Over de ondergrondse proeven in Nevada is in de literatuur wel het een en ander te vinden. In technisch opzicht worden twee soorten proeven onderscheiden: die waarbij kernwapens zelf op kracht en doelmatigheid worden getest, en die waarbij het effect van de explosie op andere wapens of instrumenten wordt onderzocht. De relatief goedkope testen van de wapens zelf zijn in de meerderheid.

Voor wapen-testen worden in Nevada met een speciale boormachine schachten met een diameter van drie tot vier meter geboord, tot een diepte variërend van tweehonderd tot tweeduizend meter in het lokale zachte en poreuze tufsteen. De diepste schachten zijn voor de zwaarste wapens. Gemiddeld zou men op NTS op zo'n zeven- à achthonderd meter diepte werken. Als de te testen bom op de bodem is neergelaten wordt de schacht met een prop cement of ander materiaal afgesloten. Voor effect-testen worden geen schachten, maar tunnels gebouwd en worden pijpen naar het centrum van de bedoelde explosie aangelegd. De tunnels zijn vrijwel onmiddellijk met zware deuren af te sluiten zodat het mogelijk is objecten bloot te stellen aan de straling van de explosie zonder ze de schokgolf te laten ondergaan.

Onder invloed van de hitte en de druk van de nucleaire explosies ontstaan in de tufsteen holtes met een diameter die min of meer evenredig is met de kracht van de bom. Makkelijk schijnen daarbij doorsneden van 150 meter of meer te worden bereikt. De holtes worden omgeven door gesteente dat meestal zo zwaar is gescheurd dat het na verloop van tijd bezwijkt. Als het dak van de holte naar beneden komt heeft dat nieuwe instortingen in hogere lagen tot gevolg. Vaak vormt zich op die manier een schoorsteen van puin (chimney) die, als hij de oppervlakte bereikt, een krater doet ontstaan. De krater verschijnt soms al een paar kwartier na de explosie, maar kan ook enige dagen op zich laten wachten. Als het gebroken gesteente dat de 'schoorsteen' vult niet gasdicht is, kan radioactief materiaal via een vent (een opening, een lek) in de krater ontsnappen. Vast staat dat zich in het verleden regelmatig van zulke venting events hebben voorgedaan. Zeker was dat het geval als een kernbom in een schacht bleef steken en op te geringe diepte tot ontploffing moest worden gebracht. Afgezien van deze grote lekkage naar de oppervlakte is meer dan tien procent van de ondergrondse explosies in Nevada door het Amerikaanse ministerie van energie ondergebracht in de categorie leaks and seeps.

Om diverse redenen zijn de honderden proefexplosies in Nevada op zeer korte afstand van elkaar gehouden. Vaak bevinden de gevormde ondergrondse koepels zich op nog geen honderd meter afstand van elkaar. Op den duur is door dit beleid de ondergrond zo zeer verzwakt dat nieuwe tests grote scheuren in de ondergrond opwekken: het tired mountain syndrome.

Koraal

Na de Algerijnse onafhankelijkheid koos Frankrijk voor zijn nucleair proefgebied een atol in de Stille Oceaan, zoals de Amerikanen vijftien jaar eerder hadden gedaan. In 1946 en 1947 lieten de VS de atollen Eniwetok en Bikini voor hun proeven ontruimen. In 1952 koos Engeland een van de Monte Bello-Islands bij Australië als proefgebied, later ging men over naar Christmas-Island (Kiritimati). Allemaal koraaleilanden.

Atollen zijn populair omdat ze geïsoleerd liggen en dunbevolkt zijn, aangezien er bijna niets anders groeien wil dan cocospalmen. Ze bestaan voornamelijk uit rifkalk (dolomiet) van koraalriffen die zich duizenden jaren geleden als zogeheten franjeriffen vormden rond vulkanen en bleven doorgroeien toen de vulkaan geleidelijk onder het zeeniveau wegzakte. Zo ontstonden smalle ringvormige structuren rond een ondiepe lagune waarin zich veel puin verzamelde. Diep onder elk atol schuilt een uitgedoofde vulkaan.

Voor zover valt na te gaan brengt Frankrijk zijn kernwapens tot ontploffing in het vulkanische materiaal (basalt) dat kennelijk al op een diepte van nog geen zeshonderd meter wordt bereikt. Men boort de schachten in het koraal of vanaf een schip in het kalme water van de ondiepe lagune. Net als in Nevada worden nieuwe explosies steeds op zeer korte afstand van vorige explosies opgewekt. Aangenomen mag worden, schreef de Fanse vulkanoloog Pierre Vincent deze week in Le Monde, dat veel holtes daardoor met elkaar in verbinding staan en als het ware één groot opslagvat met hoog radioactief afval vormen.

Net als in Nevada heeft het beleid op Mururoa geleid tot een ernstige verzwakking van de flanken van de onderzeese vulkaan. Vincent noemt het niet ondenkbaar dat een nieuwe kernexplosie een grote onderzeese aardverschuiving teweeg brengt waardoor het communicerend systeem van explosieholtes instort en direct volloopt. Dat is al eerder gebeurd: in juli 1979 brak bij een te zwaar uitgevallen explosie zo'n groot stuk rif van het atol, dat een vloedgolf ontstond. De bekende onderwaterspecialist Jacques-Yves Cousteau zegt bij een bezoek aan Mururoa in 1987 diverse scheuren en verschuivingen te hebben waargenomen. Slaan de explosieholtes lek dan stroomt een grote hoeveelheid sterk radio-actief materiaal de oceaan in.

Veel onderzoek hebben de Fransen overigens nooit toegestaan in de omgeving van Mururoa en Fangataufa. In 1982 mocht de Franse vulkanoloog Haroun Tazieff een kleine proefexplosie bijwonen, in 1983 bezochten onderzoekers uit Australië en Nieuw-Zeeland het gebied (de Atkinson-missie) en in 1987 Cousteau. Greenpeace deed in 1990 wat onderzoek en in maart 1991 namen onderzoekers van het atoombureau IAEA monsters van water en algen buiten de twaalfmijls-zone van Mururoa, dus ver buiten de lagune. Bij dat laatste onderzoek zijn kleine hoeveelheden plutonium gevonden die volgens het behoedzame IAEA misschien niet uitsluitend aan fallout zijn toe te schrijven.

Het probleem is dat tot en met 1974 bovengrondse explosies bij Mururoa plaats vonden en dat veel van de splijtingsprodukten die later (overigens in zeer kleine hoeveelheden) werden aangetroffen in principe aan die proeven zijn toe te schrijven. Daarom heeft Greenpeace geprobeerd aan te tonen dat in 1990 ook kortlevende isotopen aanwezig waren. Volgens de milieu-organisatie is inderdaad cesium-134 (met een halfwaardetijd van 2,1 jaar) gevonden. Daarmee zou het bewijs geleverd zijn dat Mururoa 'lekt'.

Zeker is dat elke nieuwe explosie de kans op een catastrofe vergroot.