Blad met een Boodschap

M.J. VAN DIGGELEN: Een blad om van te houden. 50 jaar Hervormd Nederland

128 blz., geïll., St. HN/Oecumenische pers 1995, ƒ 29,50

Hendrik Spiering publiceerde in 1993 samen met John Jansen van Galen 'Rare Jaren. Nederland en de Haagse Post 1914-1990'

Honderdtwintig bladzijden lang las ik over 'een stem die over de kerkmuur heen moest reiken', over listig opgestelde synodeverklaringen, over het 'typisch hervormde geluid', over 'solidariteitsgroepen' en zelfs over het bijbels gehalte van het VVD-beleid en het 'getuigende en tegelijkertijd deskundige geluid' van het IKV. Leuk! Maar na de laatste bladzijde bleef ik wel met een vraag zitten. Wat voor soort stukken stonden er nu eigenlijk in Hervormd Nederland, het blad dat na de oorlog het vehikel voor kerkvernieuwing moest worden en in de jaren zeventig en tachtig vooral speerpunt werd tegen de plaatsing van kernwapens en de katholisering van het CDA.

Ja, 'zware artikelen' stonden er in, en 'kerknieuws' voor de 'grote hervormde massa' en vooral later ook 'onderwerpen op het grensgebied van godsdienst, cultuur en samenleving', zo lezen we in Een blad om van te houden. 50 jaar Hervormd Nederland, van de historicus M.J. van Diggelen. Maar bij die algemene typeringen blijft het. Kennelijk weten de meeste kerkelijken, die waarschijnlijk de belangrijkste doelgroep van Van Diggelen zijn, onmiddellijk wat 'aardige pastorale schetsen' zijn, die in de eerste jaren na de oorlog het blad zo populair maakten. Maar ik heb geen idee wat dat zijn en ik wil het wel weten, net zo goed als ik erg nieuwsgierig ben geworden naar “de juweeltjes van journalistiek, (...) de sociologisch getinte verslagen die Ruitenberg maakte van zijn reizen door allerlei streken van het land”. Want L.W. Ruitenberg (1905-1992) 'perspredikant' en actieve sociaal-democraat in SDAP en PvdA was een interessante man, die, zoals Van Diggelen over hem schrijft, overal altijd te laat kwam. Dus waarom je van het blad zou moeten houden, zoals de titel van het boek jubelt, is me niet duidelijk geworden. Sprekende details of voorbeelden uit de bewaard gebleven jaargangen geeft Van Diggelen nauwelijks.

Bezieling

Het zal wel een bewuste keuze zijn. De auteur concentreert zich op de institutionele geschiedenis van Hervormd Nederland, niet op de journalistieke. En dat is misschien ook wel terecht voor een blad dat niet met journalistieke maar met propagandistische doeleinden gesticht is in 1945. En dat daar nog altijd de sporen van draagt. Ook in wat inmiddels heet HN-magazine overheerst de Boodschap. Het blad moet volgens de huidige hoofdredacteur Bert van Duyn vooral 'profetisch' spreken. “Zo'n krant is een wekker die christelijke en niet-christelijke dommelaars wakker ratelt, (...) het kent de relativering, de ontspannenheid en de barmhartigheid van het besliste geloof in de uiteindelijke overwinning”, typeert Van Diggelen met instemming Van Duyns overtuiging. 'Vakjournalisten' vormden lange tijd een kleine minderheid binnen de redactie.

Vooral als lichtbeeld van de geschiedenis van de hervormde kerk en van wat vroeger heette 'het hervormde volksdeel', is de geschiedenis van het blad waardevol. De hervormde kerk is, als grootste kerk en bron van veel fundamentalistische afsplitsingen, altijd geplaagd geweest door eindeloze verdeeldheid tussen de middenorthodoxen, de vrijzinnigen, de gereformeerde-bonders-binnen de-hervormde-kerk, en wat eigenlijk niet. Voor de oorlog streefden typerend genoeg twee commissies naar meer eenheid: het strengere 'Kerkherstel' en de meer vrijzinnige 'Kerkopbouw'. Later kwam daar het meer evangelische 'Gemeenteopbouw' bij. Pas de oorlog bracht een zeker gevoel van eenheid en het in 1945 opgerichte blad De Hervormde Kerk moest in de euforie van dat moment meer 'bezieling' gaan geven aan de gedachte dat de kerk zich in ruime zin met de samenleving moest bezighouden - niet alleen stil in een hoekje zitten bidden.

De Hervormde Kerk, later al snel Hervormd Nederland geheten, kon die hoge pretentie niet waarmaken. Voor de verkoop maakte het niet uit. Het blad liep uitstekend: in 1946 waren er al zo'n 90.000 abonnementen, waarvan de meeste overigens 'collectieve abonnementen', en in 1968 waren er nog altijd 45.000. Van Diggelen wijt het hoge intern-kerkelijke gehalte van het blad in die tijd vooral aan het ontbreken van 'beroepsjournalisten'. Maar cruciaal voor de geringe 'breedheid' lijkt mij eerder de onzekerheid over de vraag welke boodschap de Kerk nu eigenlijk had voor de maatschappij. Politieke stukken gingen vooral over buitenlandse politiek want “in het binnenland lag de toepassing van de bijbelse boodschap niet zo eenduidig en kon de redactie snel op gevoelige tenen trappen”. Zelfs over 'de danswoede' van net na de bevrijding is men het oneens. Veel lezers schrijven dat het land “na een nazi-terreur thans gebukt gaat onder een dans-terreur”. Maar de hervormde synode kiest een voorzichtige middenweg: dat de danswoede slecht is in de mate waarin ze “de zin van de levensvreugd en de heiliging van het lichaam misacht”. En Hervormd Nederland roept op voor men gaat dansen wel eerst te gaan werken “want er is nog zoveel te doen”.

Radicaal

Opvallend is dat het blad aan kracht, en aan beroepsjournalisten, wint als de kerken opeens wel een duidelijke morele rol in de samenleving gaan spelen, ook al is het op een beperkt terrein: dat van de kernbewapening. Vanwege de oude band met de kerk kon HN de stem van het IKV worden, meldt Van Diggelen. Het door de secularisatie teruglopende abonneebestand trekt zelfs weer aan. Ook het oude hervormde principe van 'stem en tegenstem' werd verlaten. Als op de kortstondige discussiepagina vooral stukken verschijnen met kritiek op het pacifisme wordt het experiment schielijk afgeblazen.

Als de anti-kernbewapeningsgolf begin jaren tachtig wegebt blijft het blad niettemin 'radicaal', en de abonnees lopen weer weg. Zelfs wordt de band met de hervormde kerk verbroken: vanaf 1986 is het blad eigendom van de redactie. De kerk heeft niet zoveel boodschap meer aan maatschappijkritiek. Met de opleving van 'EO'-religiositeit in die jaren heeft het blad niets te maken, Van Diggelen noemt het fenomeen niet eens. Het blad verkeert vooral in linkse kringen. De banden met de katholieke Acht Mei Beweging worden wel aangehaald.

Van Diggelen is duidelijk partijganger van het blad. De hoofdredacteur sinds 25 jaar, B. van Duyn, wordt in de laatste hoofdstukken zelfs beschreven als een soort goeroe: “Hij wil met zijn blad vechten tegen de ontluistering van het leven in welke vorm dan ook”. En op de laatste bladzijden geeft Van Diggelen het blad een formule mee voor de toekomst. Het dient “uit te groeien tot een platform waar wordt gediscussieerd over de belangrijke kwesties van deze tijd”, al moet de redactie niet “proberen voor elk wat wils te leveren”. De idealen van 1945 blijken nog altijd springlevend.

Als geschiedschrijver is Van Diggelen soms slordig. Het oplagecijfer van 1946 is bijvoorbeeld op pagina 51 nog 90.000, maar op pagina 65 nog maar 80.000. Ook intrigeert me de vraag of hij gezien heeft dat tussen de foto's een afbeelding van de redactie in 1974 zit waarmee op klassieke Sovjetwijze geknoeid is. Nauwkeurige beschouwing van de schaduwen wijst uit dat hoofdredacteur C. Timmer tussen een foto van de andere leden is geplakt. Niet zo gek, omdat hij al in 1973 ontslag nam.

    • Hendrik Spiering