Belgrado bekijkt Grieken wantrouwend

ATHENE, 15 JULI. De plotselinge verkoeling in de Grieks-Servische betrekkingen, die tien dagen geleden na basketbalrellen in Athene aan de dag trad, blijkt vooral aan Servische kant diepere wortels te hebben dan men hier vermoedde. Er is in Belgrado sprake van oud zeer waarvan men zich in Athene niet bewust was en het gedrag van het Griekse publiek bij de finale van de Europese kampioenschappen blijkt nu als een soort katalysator te hebben gewerkt.

Die zondag gaven bijna 20.000 Grieken duidelijke tekenen van voorkeur voor de andere finalist, Litouwen, omdat de Joegoslaven tevoren zowel door de scheidsrechters als door de toernooileiding zouden zijn bevoordeeld, ook bij de twee gewonnen wedstrijden tegen Griekenland. Zelfs nog tijdens het volkslied van Joegoslavië brulden de Grieken “Litouwen, Litouwen”.

Een uur laten namen 10.000 Serviërs in Belgrado wraak. Zij bestormden de Griekse ambassade waar ze ruiten braken en twee auto's met Griekse nummerborden in brand staken. Er kwamen meer anti-Griekse uitingen en de volgende dag begon een persoffensief waarin onder andere werd gepleit voor Servische erkenning van Macedonië onder die naam.

De Griekse onderminister voor sportzaken, Jorgos Lianis, kwam met verontschuldigingen en kondigde een bezoek aan Belgrado aan om de oude vriendschap tussen de twee landen te herstellen, maar zo gemakkelijk ging dat niet. Hem werd te verstaan gegeven dat hij niet welkom zou zijn bij president Milosevic en zelfs niet bij zijn collega-minister in Belgrado. En langzamerhand drong het tot de Grieken door, dat men in de Servische hoofdstad heel boos was en bleef. Of in ieder geval Milosevic.

Nu begonnen de Grieken zich ook te realiseren dat de politie, waarvan het hoofdkwartier op vijf minuten afstand was, pas na drie kwartier bij de bedreigde Griekse ambassade in Belgrado was gearriveerd; dat van Servische zijde in het geheel geen verontschuldigingen waren aangeboden voor de aangebrachte schade; dat de Joegoslavische ambassadeur in Athene ook niet had gereageerd. En één Atheense krant deed nu uit de doeken, dat deze “stille en kille man” die al zes jaar in Athene was gestationeerd, een rechtstreeks verlengstuk was van Milosevic.

Van de ene onthulling kwam de andere. Milosevic, zo heette het, was al lange tijd verstoord over de koers van de regering-Papandreou. Hij had geen begrip voor de diplomatieke contacten die minister van buitenlandse zaken Papoulias is gaan onderhouden met zijn Iraanse en Bosnische, dus islamitische collega's (de voor gisteren geplande derde ronde is uitgesteld). Hij zou geïrriteerd zijn geweest toen Papoulias en zijn collega van defensie Arsenis in juni naar de onderhandelingen in Pale en Belgrado trokken om een deel van de eer op te eisen van de vrijlating van de gegijzelde blauwhelmen - Milosevic eiste die eer voor zichzelf op.

De missie van de Servische minister van buitenlandse zaken naar Thessaloniki om te proberen, daar havenfaciliteiten voor zijn land te verkrijgen - met Servische politiecontrole erbij - was mislukt, herinnerde men zich nu ook weer. Milosevic zou ook geïrriteerd zijn geraakt over de Grieks-Albanese “flirt” van de laatste maanden. En hoewel er jaarlijks 200.000 Serviërs naar Griekenland komen, hebben die nog altijd visa nodig, terwijl Kroaten en Slovenen daar onlangs van zijn vrijgesteld.

De rechtse oppositie in Griekenland op haar beurt neemt de gelegenheid te baat, de regering-Papandreou te kapittelen voor een nu gebleken gebrek aan solidariteit met de Servische erfbondgenoot. Milosevic zou van nostalgie zijn vervuld naar de vorige regeringsperiode en in het bijzonder naar de toenmalige premier Mitsotakis.

De “Servisch-Griekse vriendschap” lijkt in de praktijk een luchtkasteel te zijn geworden - niet meer dan een ideologische abstractie. De Grieken krijgen nu ook een kritisch oog voor facetten van het Servische regime waarvoor ze jarenlang een blinde vlek hebben getoond, zoals de gedirigeerde pers, die nu tegen hen is gericht.

Bijzonder verbitterd betonen zich de gebroeders Jorjadis, die gedurende vier jaar in de media het Griekse publiek systematisch pro-Servisch hadden voorgelicht. De jongste, Jorgos, verzekerde in het dagblad Ethnos dat hij zelf “vriend zal blijven van zijn vrienden”, maar vroeg zich af: “Als de Serviërs onze vriendschap niet willen, onze bemiddeling in alle internationale organisaties, de duizenden vrachtauto's met hulpgoederen - laten ze dan maar in hun isolement blijven.”