'Waarom ben ik op dat moment niet gestorven?'

TUZLA, 14 JULI. Hata Salihovic sloot haar zoon Sead in de armen en drukte hem stevig tegen zich aan. Ze schreeuwde tegen de Bosnisch-Servische soldaten dat hij doof was en toonde papieren waarin vermeld stond dat hij nooit in het Bosnische regeringsleger heeft gediend.

“Ik smeekte hen mij te doden, maar hèm te laten gaan”, zegt ze. Maar niets hielp: de Bosnische Serviërs sleurden hem uit haar armen. Nu zit Hata Salihovic in Tuzla, ze herhaalt tussen de snikken door de naam van haar 22-jarige zoon. “Wat voor nut heeft hij voor hen? Hij is altijd bij me gebleven. Waarom ben ik op dat moment niet gestorven?”

Duizenden hongerige en angstige moslim-vluchtelingen als Hata, slachtoffers van de laatste massale 'etnische zuivering' door de Bosnische Serviërs, hebben vannacht in de open lucht geslapen op het beton van het vliegveld van Tuzla, na een uitputtende tocht door het gebied van de Bosnische Serviërs, een mars van tien kilometer door niemandsland, en een busrit van de frontlijn bij Kladanj naar Tuzla.

Velen van hen hebben al ten minste een volle dag niet gegeten en nieuwe voedselkonvooien zijn nog niet in Tuzla aangekomen. De sanitaire toestand is volgens een VN-woordvoerder “werkelijk catastrofaal”. Tenten zijn er vrijwel niet. Rondom het beton van de landingsbanen liggen mijnen en de autoriteiten in Tuzla, woedend over de val van Srebrenica, weigeren elke hulp. VN-woordvoerders in Tuzla spreken van “een wanhopige situatie”. De 20.000 vluchtelingen moesten het gisteren zien te redden met tienduizend dekens en duizend broden. Later arriveerde een tankwagen met vijfduizend liter water.

Onder de vluchtelingen bevinden zich 42 lichtgewonden. Er waren ook 33 zwaargewonden aan boord van de bussen uit Potocari, maar zij werden aan de frontlijn teruggestuurd.

Omdat de Bosnische Serviërs hen niet tot Potocari toelieten, moesten ze de nacht op een brug bij het dorp doorbrengen.

Veel moslims die eerder in de oorlog uit de omgeving van Srebrenica naar Tuzla zijn gevlucht, haasten zich naar het vliegveld.

Pag.5: Mijn vaders laatste woorden waren: veel geluk

Ze delen brood uit en roepen de namen van hun dorpen af in de hoop bekenden te vinden. Een man vindt na twee jaar zijn vrouw: “Ik weet niet of ik de gelukkigste man ter wereld ben nu ik met mijn vrouw ben herenigd of de verdrietigste omdat ik niet weet of mijn broer nog leeft”, zegt hij.

Elk van de vluchtelingen heeft zijn eigen verhaal. Geen van die verhalen kan onafhankelijk worden bevestigd. Ze gaan over Servische soldaten die met wrede grapjes jonge vrouwen meenamen. Over Bosnisch-Servische burgers die onderweg van Potocari naar de bestandslijn de bussen met stenen bekogelden. Over mannen en jongens die van hun familie werden gescheiden. Over huizen die in brand werden gestoken. Over een jongen van dertien die met alle mannen en jongens werd opgepakt en werd gedood met een schot in de mond. Over de vijftien mannen die met afgesneden keel bij de voormalige accufabriek in Potocari lagen.

De meesten hebben de nacht na hun vlucht uit Srebrenica doorgebracht rond de compound van Dutchbat in Potocari, tot de Bosnische Serviërs woensdag kwamen, met honderd bussen en vrachtwagens, om hun 'etnische zuivering' te voltooien. Toen de Bosnisch-Servische televisie in Potocari opnamen maakte, gedroegen ze zich nog vriendelijk: soldaten deelden chocolade uit en aaiden kinderen over het hoofd. Een vrouw vertelt dat die chocolade haar eerste voedsel in twee dagen was. Maar toen de televisie was vertrokken, zegt ze, schoten dezelfde soldaten een vrouw en een tienjarig kind dood. Twee andere vluchtelingen zeiden te hebben gezien hoe soldaten een 50-jarige man en een jongetje van vijf doodschoten.

Sedalija Selimovic is een van de weinige mannen die zijn meegekomen met de stroom van vluchtelingen: vrijwel alle mannen ouder dan zestien zitten nog vast in Bratunac. Ook veel kinderen tussen zes en zestien moesten achterblijven. Selimovic ziet er twintig jaar ouder uit dan hij is, 44. “De hele nacht heb ik in Potocari vrouwen horen schreeuwen. Te oordelen naar wat ze riepen denk ik dat ze werden verkracht.” Hijzelf verloor zijn vrouw bij een beschieting van Srebrenica in 1993. Hij is met zijn twaalfjarige zoon en zijn achttienjarige dochter naar Tuzla gekomen. “We zullen ooit sterven. Maar eigenlijk zijn we allen in Srebrenica gestorven: van angst”, zegt hij. Een andere man, Lutvo Ibricic, die er ook veel ouder uitziet dan zijn 57 jaar, zegt: “In drie jaar hebben de Serviërs drie van mijn zoons gedood. Mijn vierde zoon werd me in Potocari afgenomen. U kunt zich voorstellen hoe ik me voel.”

De Nederlandse blauwhelmen stonden in het hele drama machteloos, zegt een jonge vrouw. “Ik vond het heel zielig voor de blauwhelmen, ze huilden toen ze met ons uit Srebrenica vertrokken. Ze zeiden: maak je geen zorgen. Ze konden niets doen.” Anderen tonen minder begrip. “UNPROFOR en de cetniks gingen als broeders met elkaar om. Ze hebben ons verraden”, zegt een vrouw.

Ibrima Adenovic vertelt hoe een 23-jarige vrouw bij de laatste Servische wegversperring voor de frontlijn bij Kladanj met geweld door Servische soldaten van haar kind van acht maanden werd gescheiden en schreeuwend werd weggesleurd. In Bratunac, zegt ze, werd haar bus bekogeld door Bosnisch-Servische burgers. Daarbij werd een vierjarige jongen in het gezicht geraakt.

De 21-jarige Vanida Suljic mist haar vader, die kreupel loopt sinds een ongeluk op zijn werk voor de oorlog. Hij kreeg van twee Bosnisch-Servische soldaten toestemming aan boord van een bus te gaan. Maar terwijl hij instapte, riepen twee andere Bosnische Serviërs hem toe: “Hee, ouwe, Je weet dat je met ons meekomt.” Vanida: “Ik keek hen aan met een verschrikkelijke angst. Ik dacht dat misschien iemand zou respecteren dat hij invalide was. Ik zag hoe hij naar een huis op een heuvel werd meegenomen. Hij keek om en zei: 'Veel geluk'. Dat waren zijn laatste woorden.” (Reuter, AP, AFP)