Verslaafd aan Griekse muziek; Het geblaat der eentonige zangen

Het eerste lied dat ik in Griekenland hoorde was 'Asta ta malakia sou anakatomèna', Laat je haartjes maar in de war. Het was zomer 1951 en we waren met z'n zessen, studenten van het klassiek dispuutgezelschap Homerus, naar dit land gekomen als bijna de eerste Nederlandse toeristen na de burgeroorlog. Overal hoorde je het lied, en alle zes vonden we het even mooi. “Als dit de plaatselijke hit is, zijn de Grieken razend muzikaal”, zeiden we tegen elkaar.

Het was een walsje in mineur van de componist Michalis Souyoul, dat nog steeds repertoire houdt. Het meisje wordt opgewekt haar haartjes - bijna alles wordt verkleind in het Grieks - maar te laten wapperen in de gekke Zuidenwind, nu haar jeugd op het hoogtepunt is. Een volgend couplet is meteen zwaarmoediger - niet voor niets is het Griekse woord voor lied(je) 'tragoudi'. Gerefereerd wordt aan de herfst, de vergrijzing en de rimpels die haar onvermijdelijk ten deel zullen vallen. Het mineur wordt opgevuld.

Ja, wat waren we opgetogen over deze Griekse muziek, vierenveertig jaar geleden. Alleen is hier wel een kritisch zelfonderzoek op z'n plaats. Niet alles vonden we mooi. In een reisverslag dat ik datzelfde jaar produceerde lees ik, enigszins tot mijn ontsteltenis: '... er ontwikkelde zich een danstafreel waarin Clovis en Dick vele liedjes zingen moesten. Niet dan met de grootste moeite geraakten de beide doodvermoeide jongens tenslotte in een slaapvertrek, doch toen zij al half uitgekleed waren stuwden de dorpsbewoners, die zo'n kans misschien eens in de tien jaar te benutten krijgen, weer binnen en bedelden om hun bed om nóg een dansje, ééntje nog maar. En zij waren zo goed niet of ze moesten weer in de kring, de zouteloze dansen meedansen op de zeurderige melodieën en het ononderbroken, zo geestloze handgeklap. Dick stond maar wat goedig te stampen als een slaperige, slome beer op een kermis. Met geradbraakte voeten betraden zij, laat in de nacht, hun bed.'

Het is ongetwijfeld die aardige Griekse volksmuziek geweest waarop bij deze gelegenheid is gedanst. Goed, ik ben er niet bij geweest en ben op de beschrijving van Clovis afgegaan, maar enthousiasme voor deze tak van muziek spreekt er niet uit. En het wordt nog erger. Verderop heb ik het, schrijvend namens ditzelfde tweetal, over 'een autobus waarin zij, bijkans gek geworden van het eindeloze geblaat der eentonige Griekse gezangen, door het simpel aanheffen van het Piet Hein een doodse stilte bewerkstelligden. Eindeloos, achteloos, haast mechanisch werken de Grieken in openbare vervoermiddelen hun liederenvoorraad af. Vreemde, nogal Oosterse, onbevredigende gezangen, waarvan er vele zijn ontstaan in de tijd van de oorlog tegen de Turken, toen kleine groepjes klephten ('dieven') zich als geuzen jarenlang in de bergen ophielden.'

Het laatste verwoordt mijn eigen, onrijpe, appreciatie uit die tijd. Ik ben blij dat het nooit in druk is verschenen. Achteraf denk ik, dat het niet zozeer klephtenliederen zijn geweest - die worden niet in serie gezongen - alswel rebètika, het genre dat ik nu het mooist vind. Heden ten dage wordt in Griekse bussen en treinen niet meer gezongen, maar ik zou er wat voor geven om nog eens in zo'n oud vehikel door het landschap te rijden terwijl tientallen rebètika achter elkaar worden uitgehuild.

Rebètika is een pas deze eeuw opgekomen liedvorm waarin de zelfkant van de stad zich ontlaadt. Ze schoot wortel nadat in de jaren twintig bijna anderhalf miljoen vluchtelingen uit Turkije naar Griekenland waren gekomen. Pas nadat ik mij in 1959 definitief in Athene had gevestigd ontdekte ik deze muziek. Op een juke-box in de Plaka-taveerne Poulakis hoorde ik voor het eerst het lied 'De Gevangenis Weergalmt', van Markos Vamvakaris, en ik dacht: dit is nog mooier dan volksmuziek (waarmee ik de voorafgaande jaren bezig was geweest). Het kwam natuurlijk ook door de prachtige bouzouki-begeleiding - die hadden we er in de bussen nooit bij gehad.

Een rebètiko-lied, waarbij vaak door één man (nu ook vrouw) wordt gedanst, heeft iets dwingends, iets onverbiddelijks. Er zijn er duizenden geschreven, honderden werden klassiek, de gemiddelde Griek kent er talloze uit zijn hoofd. De bloeitijd was in de jaren '30 tot '60, maar het genre kent de laatste tijd een opmerkelijke opleving, ook bij de jeugd. Grote, nu overleden meesters als Markos, Stratos, Papaïoánnou, Mitsákis en Tsitsánis heb ik in het decennium van '60 nog meegemaakt, maar ik mag er niet aan denken welke hoogtepunten ik tijdens mijn toeristische bezoeken van de voorafgaande jaren door onwetendheid heb gemist. Enfin, in 1951 waren we doodarm, we zouden er toch niet voor hebben kunnen betalen. En zelfs met de retsinawijn heeft het even geduurd voordat ik haar kon waarderen.