'Uitvindingen moeten in Nederland beter beloond'

De kennisintensiteit van de Nederlandse economie moet worden versterkt, schrijven de ministers van Economische zaken, Onderwijs en Landbouw in de onlangs verschenen nota 'Kennis in beweging'. Want innovaties moeten meer nieuwe produkten en werkgelegenheid creëren. Aan het kennisniveau van de Nederlandse onderzoekers ligt het niet, constateert dr. W.J. van Oort, makelaar in technologische kennis. “Hoe komt het nu dat we in Nederland zo knap zijn en er toch geen lor van terecht komt?”.

Nederland telt circa 100.000 onderzoekers verdeeld over universiteiten, bedrijven en instituten voor toegepast onderzoek, zoals het TNO. Wat de zogeheten citation-index betreft, die weergeeft hoe vaak een individuele wetenschapper door zijn collega's wordt aangehaald, staan we bij de eerste drie landen van de wereld, merkt Van Oort op. “Wordt echter internationaal het aantal aanvragen van octrooien vergeleken, of allianties tussen universiteiten en bedrijven, dan komen we nog niet bij de eerste twintig. Ook is de kennis-balans uit het lood. Nederland koopt in het buitenland veel meer kennis in, dan daar wordt verkocht.”

Van Oort is directeur van Licentec, 's Nederlands enige commerciële makelaarskantoor in technologische kennis. Licentec is gevestigd in Utrecht en bemiddelt sinds 1978 voor universiteiten en onderzoeksinstituten bij de verkoop van innovatieve produkten aan de industrie. Het heeft acht werknemers en een uitgebreid werkterrein dat strekt van landbouw, veeteelt en medische technologie tot chemie, milieu, ingenieurswetenschappen en voedingsmiddelen.

Het bedrijf van Van Oort heeft zo'n 120 keer bemiddeld bij de verkoop van Nederlandse technologische kennis, waarvan in 80 procent van de gevallen met succes. Van die transacties werd weer 80 procent afgesloten met buitenlandse bedrijven en instellingen, ongeveer voor de helft Amerikaanse.

Van Oort noemt twee grote bottle necks waarom de volgens hem hier ruim aanwezige kennis niet wordt omgezet in produkten en werkgelegenheid, althans niet in Nederland. Lang niet alle potentieel bruikbare universitaire projecten worden door het bedrijfsleven omarmd. Deze projecten zijn vaak nog te fundamenteel. Een oplossing daarvoor is dat zo'n project enige tijd verder wordt getrokken in een meer toegepaste richting. Hiervoor heeft Nederland grote, technologische instituten zoals TNO beschikbaar.

Het eerste knelpunt is echter de verhouding tussen de universiteiten en die instituten voor toegepast onderzoek, zoals TNO. Die verhouding is nooit goed geweest, stelt Van Oort. In dit opzicht kan volgens van Oort een grote sprong voorwaarts worden gemaakt. “TNO wil bij samenwerking met de universiteit altijd hoofdaannemer van projecten zijn. Maar dat moet je nu net niet zeggen tegen een hoogleraar, als het over zijn kindje gaat. Een baas/knecht relatie werkt niet. Ik heb daar al zoveel op zien afspringen”. Alleen samenwerken op basis van gelijkwaardigheid biedt volgens hem kans op succes. Het management van de projecten zou dan een onafhankelijke derde moeten doen, zegt hij met een knipoog naar zijn eigen bedrijf. Op deze wijze is volgens hem de kans ook groter dat er een alliantie ontstaat tussen een Nederlands bedrijf en een universiteit.

Tweede knelpunt is volgens Van Oort dat de Nederlandse wetgeving de universitaire onderzoeker niet stimuleert om zijn vinding naar de markt brengen. “Als een hoogleraar een uitvinding doet, moet hij zelf op sjouw om daarop een licentie of een octrooi te verkrijgen. De universiteiten zijn daar vrijwel niet op ingericht. Komt het daar al van, en er komt geld binnen, dan wordt hij vervolgens vaak voor dat bedrag gekort op zijn onderzoeksbudget. Privé wijzer ervan worden doet de onderzoeker in ieder geval niet.” De Nederlandse onderzoeker, zo legt Van Oort de vinger op de zere plek, wordt gewaardeerd op zijn prestaties op de citation-index, niet op het aantal industriële contracten dat hij afsluit.

In de Verenigde Staten daarentegen regelt de octrooiwet dat de onderzoeker ongeacht de werkrelatie aanspraak kan maken op een deel van de opbrengsten van zijn vinding. “Dat is een prikkel die werkt”, meent Van Oort. “De Nederlandse ambtenarenwet stelt: alles is van de baas”. De Nederlandse octrooiwet biedt echter volgens hem voldoende ruimte om uitvindingen te belonen. De universitair medewerker is aangesteld voor technologisch onderzoek en onderwijs. “Uitvindingen vallen daar strikt gezien niet onder en zouden dus los kunnen worden gehonoreerd. Dat is een politieke afweging.”

In de nota 'Kennis in beweging' ligt de nadruk op het samenbrengen van vraag en aanbod door het vergroten van de samenwerking. Het gaat daarbij zowel om onderzoekers en bedrijven onderling als in internationaal verband, via bijvoorbeeld Eureka. Kenmerkend is de hoofdzakelijk facilitaire rol van de overheid. Onderzoekers en bedrijven moeten zelf aangeven waar de prioriteiten liggen. “Er wordt niet langer meer gestrooid met subsidies”, stelt Van Oort vast. “Dat is een heel sterk punt. De overheid komt enkel over de brug als het bedrijf er zelf ook geld bijlegt. Bovendien moet vooraf duidelijk op papier worden gesteld wat het doel van het project is en wat het bedrijf eraan heeft”. De grootste klap, vindt Van Oort, is evenwel te maken door het persoonlijk materiële belang van onderzoekers bij een innovatie te vergroten. “Dat stimuleert onderzoekers hun werk aan de man te brengen. Het is tenslotte in de praktijk onmogelijk om een universitaire transfermedewerker of een externe adviseur in de buurt van iedere onderzoeker te zetten. De eerste gedachte is dat een wetenschappelijk resultaat industrieel zou kunnen zijn, dient daarom een onderzoeker op te brengen.”

Van Oort is 'niet pessimistisch' over de weg die de overheid inslaat om vraag en aanbod op de markt voor technologische kennis beter bij elkaar te brengen. De eisen die consumenten tegenwoordig aan produkten stellen, doorgaans een combinatie van prijs, veiligheid, milieuvriendelijkheid en gebruikersgemak, zijn zo hoog, dat zelfs de grootste multinationals dat niet meer allemaal zelf kunnen behappen. “Geen bedrijf kan zelf meer zijn broek ophouden. De trend van steeds meer industriële samenwerking en het inkopen van kennis is onomkeerbaar.”

Het idee van de ministers om een beperkt aantal technologische topinstituten te creëren is prima, vindt Van Oort. Alleen moet daar volgens hem niet al teveel van worden verwacht. Nederland, aldus de kennismakelaar, heeft vijf grote multinationals, een aantal middelgrote internationale bedrijven, zoals machinebouwer Stork en daarna een immens midden- en kleinbedrijf. “Die grote jongens zijn maar in een ding geïnteresseerd: is het uniek en wat kost het. Ze grazen op zoek daarnaar de hele wereld af. Die multinationals kun je hier nooit vasthouden.”