Twintig uitdrukkingen voor sterven

Vrijdag was mijn laatste Engelse les. John Cray, de Ier, drukte mij tegen zich aan bij het afscheid. Geheel vrijwillig is het ook dit keer niet gegaan. Er was enige druk op mij uitgeoefend om maar niet meer terug te komen.

John Cray heeft ons de laatste twee weken les gegeven. Hij is tamelijk dik en de kleur van zijn haar is dof oranje. De eerste dag kondigde hij aan dat Ieren ervan houden over de dood te praten. Daarna heeft hij ons minstens twintig verschillende uitdrukkingen voor sterven geleerd. Persoonlijk houd ik het op, “we'll kick the bucket.”

Aan het begin van de les keek hij uit het raam en zei, “wat is het toch weer een prachtige zonnige dag, uitstekend weer om over de dood te praten.” Daarbij keek hij ons doordringend aan met zijn varkensoogjes.

Iedere dag zaten er minder mensen in zijn les, maar dat leek John Cray allerminst te storen. Hij eindigde altijd met een spookverhaal. Tijdens het vertellen liep hij door het lokaal. Hij trok een beetje met zijn linkerbeen.

Cray had ons verboden aantekeningen te maken. Hij zei: “een taal leer je met je oren, niet door dingen op te schrijven in notitieblokjes.” Zelf maakte hij ook geen gebruik van het bord. Hij zei: “ik ben niet zo goed in spelling, vooral op maandag niet.” Na iedere twee zinnen die hij had gesproken dronk hij een beetje cola. Er moest voortdurend vocht bij in zijn mond. Soms duwde hij het blikje cola tegen zijn voorhoofd.

Op een bijzonder vochtige en hete middag zei hij, “mijn vader heeft mij een keer geprobeerd te wurgen, wie kan mij wat vertellen over soortgelijke ervaringen?”

We waren toen nog maar met zijn vieren. De taxichauffeur uit Pakistan was een van de trouwsten. Iedere middag ontving hij mij met de woorden, “vertel wat over Parijs.” Ik had hem al een paar keer verteld dat ik niet uit Parijs kwam, maar hij scheen het steeds weer te vergeten. Ten slotte gaf ik het op en begon over Parijs te vertellen. Hoewel ik er maar twee keer ben geweest. Beide keren met een vrouw die tien jaar ouder was dan ik, maar niet dezelfde vrouw.

Een keer zag ik dat John Cray het krantje Backstage in zijn rugzak opborg. “Ben je acteur?” vroeg ik. “Dat is geheim,” zei hij, “mijn ouders denken dat ik leraar ben. Godzijdank ben ik niet beroemd.”

Vanaf die dag was hij op zijn hoede voor me alsof ik meer van hem wist dan goed voor me was. Bovendien profeteerde hij me dat mijn haar ook oranje en dof zou worden.

Mensen gingen over John Cray klagen. Hij zou morbide grappen maken en met de dood spotten. Vooral dat laatste zat ze nogal dwars. Maar het motto van John Cray was dat je als leraar geen knip voor je neus waard was als er geen klachten over je werden ingediend. Hij spoorde ons dan ook aan nog meer klachten in te dienen.

Alleen de Pakistani en ik hadden nog geen klacht ingediend. En Sabrina uit Frankrijk, maar zij leek me enigszins verdwaald. Ze vertelde dat haar ouders haar naar New York hadden gestuurd. Ze sprak over zichzelf alsof ze een postpakketje was. Ze was 17, maar zag eruit als 25. Ze kwam ergens uit de buurt van Bordeaux. Zodra ze in paniek raakte begon ze Frans te praten. Ze raakte zeer geregeld in paniek. Daarop stelde John Cray de regel in dat iedereen die Frans praatte in zijn lokaal hem een dollar moest betalen. Op een middag is ze wel zes dollar aan hem kwijtgeraakt. Toen ik afscheid nam van Sabrina vroeg ik beleefdheidshalve wat ze de hele dag deed in New York. “Ik loop door het park,” zei ze. “Central Park?” vroeg ik. “Nee, Union Square.”

Mijn laatste dag leerde John Cray ons twintig verschillende uitdrukkingen voor tieten. En ook wat fuck-me pumps zijn. Aan het eind van die les zei hij, “vandaag hebben we dus geleerd dat je aan een woordenboek niets hebt als je een vrouw wilt versieren of een man.” Ook leerde hij ons te zeggen, “you just want to get laid.” Sabrina moest hier erg om lachen. Ze heeft ook foto's gemaakt van John Cray met zo'n klein wegwerpcameraatje. Ook van mij trouwens. John Cray heeft wel gezegd, “luister, ik ben geen fotomodel, ik ben een leraar. Dat denken ze hier in ieder geval.”

Twee dagen daarvoor had Cray me apart genomen na de les en gezegd, “ik gooi je eruit, dit is niets voor jou, jij hebt je leven voor je, ga naar Columbia, ga naar NYU, loop voor mijn part naar de hel, maar doe iets.” Hij denkt dat ik voor een kleine Nederlandse krant artikelen uit de New York Times in mijn eigen woorden overschrijf. Het leek hem werkelijk aan het hart te gaan.

Die vrijdag nam ik ook afscheid van de Egyptische. Ik zou niet meer elke dag komen. Ze vertelde dat ze juist voor die zaterdag een afspraak had gemaakt met een man om te gaan picknicken. Hij had die zes maanden elke week een brief geschreven. Zij had die brieven nooit beantwoord, maar hij had zo aangedrongen dat ze uiteindelijk had toegegeven. “Hij heeft een villa op Long Island, hij is niet lelijk, hij is welgesteld en hij wil voor me zorgen. En hij is 45, is dat oud, vind je, is dat oud?”

“Niet jong,” zei ik. “Voel je wat voor hem?”

“Niets,” fluisterde ze. “Hij komt net binnen.” We keken naar hem. Een keurige oudere heer. Hij leek me zeer hoffelijk. “Dit is een dead-end job,” fluisterde ze, “wat moet ik?”