Troebel beeld inflatie verlamt Bundesbank

Na de presentatie van de jaarcijfers van de Bank voor Internationale Betalingen vorige maand waarschuwde BIB-voorzitter W. Duisenberg de industriewereld ervoor niet te laks om te gaan met inflatie. Een te soepel, op groei en schuldsanering gericht monetair beleid, zo was de impliciete boodschap, zou tot gevolg kunnen hebben dat de geldontwaarding in de huidige conjunctuurcyclus al uit de hand loopt wanneer de bijbehorende ronde van monetaire verkrapping nog moet beginnen.

Tegelijkertijd zetten de grote investeringsbanken op dit moment hun analistenteams aan het werk om onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van deflatie voor de Westerse economie. Fundamenteel, zo is de heersende mening, zijn de tekenen voor lagere prijzen veel sterker dan de aanwijzingen voor een oplopend prijspeil: deregulering van distributiesystemen, waardoor een deel van de tussenhandel in goederen wegvalt. Een steeds pruduktievere industrie en dienstensector. Meer concurrentie door handelsliberalisering, privatisering en anti-kartelbeleid. De opkomst van de lage-lonenlanden en de verplaatsing van Westerse bedrijven daarheen en - niet onbelangrijk - de grotere machtspositie van de consument tegenover de producent, het zijn allemaal tekenen dat forse prijsstijgingen tot het verleden moeten gaan behoren.

Daar tegenover staat het wantrouwen van de monetaire beslissers: landen met een grote staatsschuld en een te hoog begrotingstekort staan bloot aan de verleiding een hogere inflatie toe te staan die de schulden uitholt, en de teruglopende begrotingsdisclipline in Europa werkt inflatie zelf al in de hand. Bovendien spreekt het beleid van loonmatiging in ruil voor werkgelegenheid hier steeds minder vakbondsleden aan, nu het economisch herstel nog steeds geen of weinig extra banen blijkt op te leveren. Hogere looneisen drijven de prijzen op termijn op.

Tussen de begrotings-, geld- en loonpolitiek enerzijds, en de duurzame lange- termijnkrachten in de internationale economie anderzijds botert het dus niet. De trend voor inflatie in de industriewereld is omhoog, zo rapporteerde de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) deze week. Maar het algemene cijfer zegt weinig. Het inflatievooruitzicht binnen de industriewereld is op dit moment buitengewoon verwarrend, want overal staan de krachten voor inflatie en deflatie in een verschillende verhouding tegenover elkaar. In Japan, waar de prijzen dalen, zijn de krachten van deregulering, liberalisering en grotere concurrentie aan de winnende hand. In de VS loopt de inflatie veel minder snel op dan gedacht - tot 3,2 procent - en zagen de federale centrale banken daarin vorige aanleiding om over te schakelen op een versoepleing van de monetaire politiek.

De Duitse centrale bank, de Bundesbank, besloot gisteren te wachten met een renteverlaging omdat het Duitse inflatiebeeld op dit moment geheel onduidelijk is geworden: terwijl de economie na een jaar van economisch herstel fors is afgekoeld, liep de inflatie in juni op naar 2,4 procent - tegen de trend in van de groep van Europese landen waarvan Duitsland wordt verondersteld de harde kern te zijn. De oorzaak wordt gezocht in de loongolf van vier procent die de vakbeweging er in de afgelopen lente doordrukte.

Met Duitsland als spil dreigt Europa uiteen te vallen in een inflatoir en deflatoir kamp. In het zuiden lijken de inflatoire krachten waar Duisenberg voor waarschuwde aan de winnende hand. In Italië bleek de stijging van de consumentenprijzen vorige week te zijn opgelopen van 5,5 procent naar 5,8 procent, Spanje heeft een inflatie van 5,1 procent. Daar tegenover staan landen als Frankrijk en België met een inflatie van 1,6 procent en 1,3 procent - een groep waartoe ook Nederland, met een inflatie van op dit moment 2,1 procent, kan gaan behoren. Nu de machtsstrijd tussen inflatoire en deflatoire krachten in Europa overal een verschillende uitkomst oplevert, lijkt de felbegeerde convergentie van het begrotings- en monetaire beleid in de EU verder weg dan ooit.

    • Maarten Schinkel