Pers heeft in Bosnië geen bondgenoten

Het betoog in deze krant van twee UNPROFOR-trainers over de rol van de Westerse pers in het Bosnische conflict (NRC Handelsblad, 11 juli) vraagt om een reactie.

Het zou demagogisch zijn te hameren op het feit dat bij het drama in het voormalige Joegoslavië tot nu toe 74 journalisten het leven verloren. Hoe dan ook, de bewering van Grémaux en De Vries, dat journalisten zich op de verkeerde plaats bevonden, komt door het extreem hoge dodental onder de mediamensen wrang over. Journalisten waren ondanks de tegenwerking van alle partijen, ter plekke bij vele gevechtshandelingen. Soms zijn ze een bewust gekozen doelwit.

Juist UNPROFOR heeft er alles aan gedaan de media buiten de meeste gebieden te houden, ze op één plaats te concentreren, de toegang voor journalisten tot Bosnië zo moeilijk mogelijk te maken.

Natuurlijk, meereizen bij een bliksembezoek van een minister of generaal verloopt soepel. Maar voor individueel reizende journalisten werpt UNPROFOR zoveel mogelijk beperkingen op. Mijn eigen en door velen gedeelde ervaringen behelzen een aaneenschakeling van bureaucratische belemmeringen (die al beginnen op het UNPROFOR-hoofdkwartier in Zagreb) en getraineer en willekeur van de zijde van UNPROFOR. Tezamen vormen ze een litanie van klachten waaruit duidelijk blijkt dat niet de Westerse media bepalen waar en wanneer ze in Bosnië hun werk doen, maar veeleer UNPROFOR, dat de pers vaak blokkeerde dan wel concentreerde op bepaalde plaatsen.

Nu was ons dat al eerder bekend uit de heisa rond een Defensiepool waarbij slechts enkele door Defensie geselecteerde media als NOS, RTL, GPD en ANP mee mochten met een UNPROFOR-transport met vrachtwagens. Pogingen van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) namens de hoofdredacties van landelijke dagbladen en de VNU-kranten liepen stuk op het zwakke excuus van Defensie dat de Britse commandant van het transport-bataljon voorrang gaf aan de talrijke Britse journalisten en dat Defensie met de pool toch iets had proberen te regelen.

De opmerkingen van Grémaux en De Vries over het PR-instinct van de Bosnische machthebbers, en hun bewering dat de Serviërs de media-oorlog zouden hebben verloren, vraagt evenzeer om commentaar.

Ondanks het beleg van Sarajevo, papier- en energieschaarste verschijnen er nog steeds onafhankelijke kranten en tijdschriften en zijn er dito radiostations in de lucht die zich soms bijzonder hard en kritisch opstellen tegenover het Bosnische regime. Met onze hulp vormden de journalisten van deze media een eigen beroepsorganisatie. Uit eigen waarnemingen en gesprekken ter plaatse hebben we geconstateerd dat de Bosnische autoriteiten het niet makkelijk hebben met deze luizen in de pels, maar - op een enkel incident na - geen misbruik maken van de staat van beleg om de onafhankelijk media gelijk of uit te schakelen.

In de Servische gebieden ondervinden buitenlandse journalisten enorme tegenwerking. De uitzetting van verslaggever Dick Verkijk uit Belgrado is maar een van de voorbeelden. De schaarse onafhankelijke media in Servië worden voortdurend aangepakt.

Tot slot, de IFJ (internationale journalistenfederatie) en de FIEJ (internationale dagbladuitgevers) onderhouden in Slovenië een coördinatiepunt voor de hulp aan de onafhankelijke media in de Balkan. In hun miljoenen vergende hulpverlening aan media en journalisten in het voormalige Joegoslavië hebben internationale en nationale organisaties van journalisten, uitgevers en andere organisaties als het Nederlandse Press Now nooit partij gekozen, maar de hulp, dat wil zeggen materiaal, voedsel en geld, altijd verstrekt aan onafhankelijk werkende media en journalisten, media als het onafhankelijke Borba in Belgrado, Studio 99 en Radio Zid in Sarajevo.