Oorverdovend kwaken; De verjaardag van de kikker

“Wat wil je voor je verjaardag, kikker?” vroeg de muis. De kikker zat op een lelieblad aan de oever van de rivier.

Hij keek de muis ernstig aan. “Ik heb maar één wens,” zei hij, “en dat is oorverdovend kwaken.” “Hoe ziet dat er uit?” vroeg de muis. “Nee,” zei de kikker, “dat ziet er niet uit, dat gebeurt.” “O,” zei de muis. “Waar kan je dat krijgen?” “Tja,” zei de kikker, “als ik dát wist...” Peinzend schudde hij zijn hoofd en keek over het water naar de verte. “Kom,” zei de muis, “ik ga weer eens.” De kikker hoorde hem niet. In zijn gedachten kwaakte hij oorverdovend - zo oorverdovend dat de wilg omviel en het riet knakte en het water van de rivier angstig wegstoof. Toen was het weer stil. Gedachten zijn geen kunst, dacht hij en haalde zijn schouders op. Echt oorverdovend kwaken, dát wil ik. Maar hoe? Somber liet hij zich in het water plonzen. De muis ging ondertussen op zoek naar oorverdovend kwaken. Hij vroeg het aan iedereen. “Zeg olifant, heb jij soms wat oorverdovend kwaken?” “Nee,” zei de olifant onzeker, “volgens mij heb ik dat niet.” “Zwaan, weet jij soms waar ik oorverdovend kwaken kan kopen?” “Ach nee,” zei de zwaan, “wat spijt me dat nu, maar dat weet ik niet”. “Hallo zwaluw, heb jij soms ergens oorverdovend kwaken gezien?” “Nergens,” riep de zwaluw, hoog in de lucht. Niemand kon hem helpen. Sommige dieren meenden dat het iets gevaarlijks was, dat je beter niet kon tegenkomen. Anderen dachten dat je het zelf moest maken van oud lawaai, maar ze wisten niet hoe. De muis had de moed bijna opgegeven en was al van plan de kikker voor zijn verjaardag een stuk honingkaas te geven, toen hij de boktor tegenkwam. “Boktor,” zei hij, “weet jij misschien hoe ik aan oorverdovend kwaken kan komen?” “Ik heb nog wel wat liggen,” zei de boktor. Hij ging de muis voor naar zijn schuurtje met rumoer. De muis stopte zijn oren dicht. Tussen geloei, luidruchtig gekreun, schelle kreten, kabaal, gillen, gepiep en schor gelach, haalde de boktor wat oorverdovend kwaken te voorschijn. “Het is niet veel,” zei hij. “Het is vast genoeg,” zei de muis. De boktor pakte het zorgvuldig in. “Dank je wel,” zei de muis en nam het mee. Niet lang daarna was de kikker jarig. Het was een kalme verjaardag, vroeg in de avond, in het riet langs de rivier. De meeste dieren waren er al toen de muis verscheen. Een berg saaie cadeau's lag achter de kikker op de modderige oever. “Gefeliciteerd, kikker,” zei de muis. “Dank je wel,” zei de kikker. “Dit is je cadeau,” zei de muis. “Pak het maar uit.” De kikker pakte het cadeau uit en hield het vlak voor zijn gezicht om het goed te bekijken. Hij wilde net zeggen: “Wat is het?” toen er een oorverdovend kwaken losbarstte dat zó luid was dat iedereen omviel of ondersteboven de lucht invloog. De rivier werd woest en wit van schuim en ontzetting, en het hele bos leek wel in het rond te tollen. Plotseling was het weer stil. De kikker had zijn cadeau neergelegd. De dieren stonden op, sloegen het stof van hun schouders en hun rug en keken elkaar zwijgend aan. De kikker ging in een hoekje, achter een rietpluim zitten, met zijn cadeau voor zich. “Dit is het,” zei hij zachtjes tegen zichzelf. “Dit is het nou.”