Nuis pleit voor cultuur als ruggegraat voor een open samenleving

“De nieuwe avantgarde zou wel eens kunnen voortkomen uit ontmoetingen tussen mensen uit Eindhoven en Birmingham,” zegt staatssecretaris Aad Nuis in een toelichting op zijn gisteren verschenen nota over de uitgangspunten voor zijn cultuurbeleid.

ZOETERMEER, 14 JULI. “Ik streef naar consensus over het cultuurbeleid. Er zal ongetwijfeld discussie komen, maar de grote onrust in de kunstwereld en de politieke en bestuurlijke commotie in de provincie, zoals Hedy d'Ancona drie jaar geleden met haar Cultuurnota veroorzaakte, die wil ik voorkomen.”

Aad Nuis, staatssecretaris van cultuur, komt al ruim veertien maanden vóór zijn Cultuurnota met een nota van uitgangspunten voor het cultuurbeleid. Zo weten politiek en kunstwereld al ver voor Prinsjesdag 1996 wat de grote lijnen zijn van Nuis' definitieve Cultuurnota. Die omvat onder andere een nieuw Kunstenplan, waarin de kunstsubsidies voor de periode 1997-2000 worden vastgelegd.

Nuis: “De norm voor eigen inkomsten voor kunstinstellingen kwam drie jaar geleden geheel onverwachts. De gedachte erachter was overigens heel zinvol, je moet je best doen om contact te houden met je publiek.”

De staatssecretaris resideert sinds augustus vorig jaar in een van de saaiste kamers van Nederland, op het ministerie van OCW in Zoetermeer. Zijn nota begint dan ook met een beschouwing over het belang van het bevorderen van de kunsteducatie op de scholen. “Dat is een van de voordelen dat na lange jaren kunst en cultuur weer zijn verhuisd van WVC naar onderwijs en wetenschappen.”

Voor het overige lijken de marges voor veranderingen in de kunstpolitiek nog kleiner dan die op andere beleidsterreinen. Staatssecretaris Nuis wil ook niet alles overhoop gooien. Na decennia van discussies over het orkestenbestel, komt dat woord nu niet eens meer voor in zijn nota met Uitgangspunten.

“Ik dacht: 'laten we dat nu eens even zo houden.' Die bezuinigingen op orkesten moesten vroeger geld vrij maken voor andere kunsten en instellingen, maar geldgebrek is nu minder aan de orde. Orkesten moeten nu de kans krijgen zich waar te maken. Zelfs als er nu twijfels zijn, zal men zijn mond nu eens even moeten houden. Ik voorzie geen protestconcerten in de Tweede Kamer.”

Nieuw is ook dat het volgens de staatssecretaris “voor het eerst sinds mensenheugenis” op financieel gebied weer iets beter lijkt te gaan met de kunst. Nuis begon bijna een jaar geleden wat dat betreft wat merkwaardig: er was bij de kabinetsformatie een verruiming van het kunstbudget op termijn van 60 miljoen afgesproken. Maar tegelijkertijd werd ook op alle rijkssubsidies gesnoeid, wat voor de cultuursector neerkwam op 60 miljoen minder.

Nuis: “Dat was een weeffout bij de kabinetsformatie. Er was ook nog een vervelend skelet in de kast: een door het vorige kabinet vastgelegde bezuiniging op de kunst van 27 miljoen. Inmiddels ziet het ernaar uit dat we via extra inkomsten uit loterijen en terugstorting in de kunstfondsen van de BTW-verlaging door het commerciële circuit, weer zestig miljoen in de plus komen. Als die 27 miljoen eraf gaat, houden we toch nog meer dan 30 miljoen extra over. Ook bij de monumentenzorg ziet het ernaar uit dat we aan het eind van het jaar geld erbij krijgen - geld dat dit jaar door de departementen niet is uitgegeven. Onduidelijk is nog wel hoe veel dat zal zijn.

“Het geeft op een kunstbegroting van 440 miljoen iets meer armslag, het is toch heel iets anders dan moeten bezuinigen. Ik wil niet ontkennen dat er nergens dor hout is. Het Cultuurnota is ook bedoeld om eens in de vier jaar te zien wat er uit kan. Het is dus bepaald niet zo dat alles mag blijven zoals het is en we nog zo'n dertig miljoen extra uitdelen. Ik wil wel degelijk komen tot verschuivingen en sommige dingen niet meer doen. Dus toch zal het wel iets worden van 27 miljoen bezuinigen en 60 miljoen extra uitgeven.”

Hoewel hij niet alles ter discussie wil stellen, streeft Nuis naar een kunst- en cultuurbeleid met eigen accenten. “Ik wil niet geheel nieuwe uitgangspunten voor het beleid neerzetten, maar wel een aantal bestaande een eigen precisering geven. Het beleid zal dus niet worden gekenmerkt door overal wat geld bij te stoppen, maar in de eerste plaats door het uitzetten van lijnen, het aanbrengen van samenhang en het leggen van verbindingen.

Al jaren bekende begrippen uit het cultuurbeleid als spreiding, participatie, vernieuwing en internationalisatie zijn niet of nauwelijks terug te vinden in de nota van Nuis. De staatssecretaris neemt er geen afstand van, maar brengt ze onder in de acht hoofdlijnen van beleid, die hij samenvat met de termen 'in het eigen zadel helpen', 'intercultureel', 'cultureel stadsleven', 'internationaal: vrijhaven', 'de taal en de talen', 'de makers en de verkenners', 'de toekomst van het verleden' en 'kwaliteit op nieuwe wegen'.

In de nota wordt elk van die acht hoofdstukken ingeleid door een citaat uit een gedicht. Zo voert Een spin zonder web is een radeloze wandelaar van Lucebert boven 'in het eigen zadel helpen' tot een beschouwing over het belang van culturele vorming in het onderwijs. Nuis: “De lijn in die acht accenten is een poging om het beleid wat dichter te brengen bij de werkelijkheid van het kunstleven en van het besturen. Dat was de les van het vorige Kunstenplan, die uitliep op een oorlog tussen de regio en de Randstad.

“De grieven van de regio waren niet ongegrond: er zijn steden en agglomeraties met een aantal belangrijke kunstinstellingen, zoals Groningen, Eindhoven, Enschede/ Hengelo, Arnhem/ Nijmegen en Maastricht. Ik voer daar nu gesprekken over en dat is een betere aanpak dan vroeger, toen het kunstbeleid landelijk werd gemaakt. Net als in het onderwijs moet er meer worden gedecentraliseerd, we moeten minder opdrachten schreeuwen via de Haagse megafoon.”

“De werkelijkheid speelt zich af op plaatselijk niveau. Een plaatselijk en regionaal kunstleven is van groot belang, al zal een orkest in Enschede de loop van de muziekgeschiedenis niet veranderen. Grote en ook kleinere steden treden in Europa met elkaar in contact, ook zonder dat de landelijke overheid zich daarmee bemoeit. De nieuwe avantgarde zou wel eens kunnen voortkomen uit ontmoetingen tussen mensen uit Eindhoven en Birmingham.”

“Gemeenten en provincies steken meer geld in kunst dan het rijk en dat wil ik ook alleen maar stimuleren. Maar ik wil niet het kunstbudget van het rijk decentraliseren. Dan is er geen centrale lijn meer.”

Een van de grote veranderingen op cultureel gebied wordt volgens Nuis veroorzaakt door het toenemende aantal migranten in ons land. Nuis wil bijdragen aan een multi-culturele samenleving, door uitingen van kunst en cultuur van kleine bevolkingsgroepen extra te ondersteunen. “Ik wil naar een interculturele samenleving - dat is een stap verder dan alles naast elkaar laten staan of halfhartig ondersteunen terwijl we wachten tot iedereen is aangepast aan de Nederlandse cultuur. Een interculturele maatschappij is een huis met veel kamers: ook voor autochtone Nederlanders moet het interessant zijn om te wonen in een land dat veelkleuriger is dan vroeger.

“Allerlei cultuurtjes naast elkaar betekent onderlinge afstoting. Dat leidt tot pantsering van delen van de samenleving, die in argwaan uiteendrijven. Mijn nota heeft als ondertitel 'Pantser of ruggegraat'. Ik pleit voor een samenleving van mensen met cultuur als ruggegraat, die kan groeien naar eenheid in verscheidenheid. Mensen moeten niet worden veroordeeld tot de groep waarin ze zijn geboren. Er moet ruimte zijn om ergens anders uit te komen.”

“We moeten ook iets veranderen aan de situatie dat de gesubsidieerde kunst het domein is van de kenners en dat anderen zich voelen buitengesloten. Je kunt daar niet helemaal vanaf, want het wezen van cultuur is dat sommigen er meer verstand van hebben dan anderen. Cultuurbeleid is een minderhedenbeleid, waarin je iedereen een kans geeft, waarin iedere monnik zijn eigen kap heeft.”

“Maar we moeten af van die absolute scheiding tussen de kenners en de anderen, zeker waar het de openbare ruimte betreft. Die is van iedereen. We zouden kunnen komen tot zoiets als een 'kunstreferendum', al moet dat goed worden geregeld. In Groningen kon de bevolking meepraten over het bouwplan voor de Grote Markt. We zouden beelden op proef kunnen neerzetten. Misschien wordt een kunstwerk geaccepteerd, zoals het beeld van Zadkine in Rotterdam. Als dat niet gebeurt, moet je daarvoor een fatsoenlijke bestemming hebben. Daar hebben we al reservaten voor, zoals de beeldentuin van museum Kröller-Müller.”

Hoe gaat het na bijna elf maanden paars kabinet met de staatssecretaris van cultuur Aad Nuis, die vroeger dichter, schrijver en criticus was?

“Er zijn allerlei theorieën over het belang daarvan. Sommigen vinden dat dat helemaal niet goed is om iemand uit de kunst als bewindsman te hebben. Bij controversiële onderwerpen, zoals de media, is het inderdaad goed om afstand te hebben. Maar bij de minder controversiële kunstsector vind ik het wel nuttig om van binnenuit te weten hoe het voelt. Ik heb zelf in jury's gezeten, dus weet ik bij voorbeeld hoe fondsen voor de kunsten werken. Het gevoel dat het beleid bij de realiteit moet blijven, kun je alleen maar waarmaken als je persoonlijk sterke lijnen hebt met de kunst.”