Je zou je voor je kop schieten; De filmische literatuur van de Amerikaanse schrijver John Dos Passos

De Amerikaanse schrijver John Dos Passos combineerde in zijn trilogie 'U.S.A.' het beste uit de realistische en de modernistische traditie. Er zijn passages met krantenkoppen en advertenties, ironische biografietjes van beroemde en beruchte Amerikanen en 'monologues intérieurs' die zich laten lezen als prozagedichten. De kern van de romans wordt gevormd door de levens van een aantal doorsnee-Amerikanen. Veel hoop is er na de 1200 bladzijden niet over. Net als de personages in zijn romans is Amerika in 1927 volgens Dos Passos corrupt, cynisch en ontworteld.

John Dos Passos: De 42ste breedtegraad. Vert. Paul Syrier. Uitg. Amber, 445 blz. Prijs ƒ 49,90. - : 1919. Vert. Paul Syrier. Uitg. Amber, 474 blz. Prijs ƒ 49,90.

Stel je voor: een trilogie, geschreven in de jaren dertig, met als titel Koninkrijk der Nederlanden. Een panoramisch boek van meer dan 1200 bladzijden, waarin een beeld wordt gegeven van Nederland in de eerste decennia van de twintigste eeuw - vanaf de inhuldiging van koningin Wilhelmina tot aan de voltooiing van de Afsluitdijk. Geen gedetailleerde geschiedschrijving, maar een experimentele roman, draaiend om de belevenissen van een vijftiental gewone Nederlanders in uiteenlopende beroepen: een Amsterdamse diamantbewerker, een Drentse onderwijzer die carrière maakt in de Haagse politiek, een scheepskapitein die plantagehouder wordt in Nederlands Indië, een Rotterdammer die rijk wordt van de expanderende haven, een dagloner uit Friesland, een dominee, een textielarbeider, en vele anderen.

De levens van de hoofdpersonen worden in superieur proza verteld en in verband gebracht met de sociaal-economische ontwikkelingen van de woelige jaren tien en twintig: de strijd om algemeen kiesrecht, de industrialisatie, de Eerste Wereldoorlog, de mislukte revolutie van Troelstra, de economische crisis. In afzonderlijke hoofdstukjes wordt het tijdsbeeld gecompleteerd door collages van krantenkoppen (HET GROOTSTE SCHIP TER WERELD VERGAAN; AARTSHERTOG FRANS FERDINAND EN ZIJN GEMALIN VERMOORD; DE REVOLUTIE BEGRAVEN, MR. TROELSTRA ERKENT ZIJN NEDERLAAG), radioverslagen, poster- en reclameteksten ('Kou gevat? Neem TOGAL'; 'Een volk dat leeft bouwt aan zijn toekomst') en fragmenten van populaire liedjes als 'Het wijnglas', 'De Internationale' en 'Mensch durf te leven'.

En dat is niet alles: naast plakjes dagelijks leven bevat Koninkrijk der Nederlanden ook ontroerende en venijnige mini-biografieën van grote vaderlanders en kwade geniën als Kuyper en Colijn, Van Heutz en Hadjememaar, Lorentz en Lely, de gebroeders Philips en de ultrarechtse oliemagnaat Deterding. Ze vormen het contrapunt van een magistrale meerstemmige roman, waarin ook nog plaats is voor Joyceaanse jeugdherinneringen van een ik-figuur die net als de auteur een actieve rol heeft gespeeld in de grote gebeurtenissen van de vroege twintigste eeuw.

Helaas, zo'n Grote Nederlandse Roman heeft onze literatuurgeschiedenis niet opgeleverd. Het is een reden om jaloers te zijn op de Amerikanen. Zij hebben John Dos Passos, een tijdgenoot van Hemingway en Fitzgerald die eind jaren twintig begon aan een titanenproject dat hij binnen acht jaar voltooide: de trilogie U.S.A., ooit omschreven als een Lost Generation-roman waarin de Amerikaanse samenleving de rol van gedoemde held vervult. Meer dan zestig jaar na publikatie is dit klassieke werk nu voor tweederde in het Nederlands te lezen: na De 42ste breedtegraad (1991) verscheen dit voorjaar 1919, in een bewonderenswaardige vertaling van Paul Syrier.

Gefêteerd

John Roderigo Dos Passos (Chicago 1896-Baltimore 1970) heeft niet altijd gegolden als een van de kopstukken uit de Amerikaanse literatuur. Zijn literaire reputatie, vóór de Tweede Wereldoorlog nog onaantastbaar dankzij boeken als U.S.A. en Manhattan Transfer (1925), schrompelde in de jaren vijftig ineen. Niet alleen doordat zijn nieuwe boeken kwalitatief in de schaduw stonden van zijn oudere werk, of doordat het naturalisme en het realisme, de stromingen waartoe hij door de meeste critici gerekend werd, aan populariteit inboetten; maar vooral doordat er tijdens de Koude Oorlog weinig sympathie was voor het socialistisch geïnspireerde radicalisme van zijn grote werken. Alleen in Frankrijk, waar links engagement na de oorlog eerder gefêteerd dan afgestraft werd, bleef zijn ster altijd stralen; Jean Paul Sartre riep hem - op literair-stilistische gronden overigens - in 1947 uit tot 'de grootste schrijver van onze tijd'.

De als kleinzoon van Portugese immigranten geboren Dos Passos was ontegenzeglijk een geëngageerd schrijver. In zijn eerste romans keerde hij zich tegen de zinloosheid van de oorlog, die hij had meegemaakt als ambulancerijder aan het front in Frankrijk en Italië. In Manhattan Transfer vormden de ingenieus vervlochten verhalen van tientallen door de grote stad gemangelde Newyorkers een aanklacht tegen het materialisme van de moderne tijd. En in U.S.A. schetste hij een somber panorama van kapitalistische hebzucht en degeneratie dat hem positieve kritieken opleverde in communistisch Rusland - zij het dat hem wel werd verweten dat hij zich in de experimentele gedeeltes van de romans te veel had laten beïnvloeden door de 'burgerlijke empirist' James Joyce.

Volgens John Dos Passos moest de literatuur zich richten op de buitenwereld, de confrontatie aangaan met 'de moorddadige krachten van de geschiedenis'. Iedere goede schrijver was een 'architect of history', iemand die de publieke opinie van zijn tijd kon mobiliseren en beïnvloeden door middel van onthullende en meeslepende kunstwerken. Van l'art pour l'art of vrijblijvend amusement moest Dos Passos dan ook niets hebben: 'Christ, man,' schreef hij in 1936 aan F. Scott Fitzgerald, naar aanleiding van diens zeer persoonlijke artikelen voor Esquire, 'hoe vind je de tijd om je temidden van de wereldbrand over dit soort dingen druk te maken?'

En toch: wie zich, zoals de Amerikaanse critici in de koude-oorlogsjaren, laat verblinden door Dos Passos' politieke engagement en zijn flirt met het communisme, doet hem als schrijver tekort. Wat telt, 25 jaar na zijn dood (en zes jaar na het definitieve bankroet van het communisme), is zijn literaire meesterschap. John Dos Passos mag zich dan in de hoogtijdagen van zijn carrière actief hebben ingezet voor de proletarische revolutie (en met Joris Ivens in Spanje hebben samengewerkt aan de anti-Francofilm Spanish Earth), hij is in de eerste plaats de schrijver van de filmische stadsroman Manhattan Transfer en van U.S.A., een stilistische krachttoer die het beste uit de realistische en de modernistische traditie in zich verenigt.

Elektrische stoel

U.S.A. is de verzamelnaam voor drie romans die ook los van elkaar te lezen zijn: The 42nd Parallel (1930), 1919 (1932) en The Big Money (1936). De chronologisch opgebouwde trilogie beslaat de geschiedenis van de Verenigde Staten van 1900 tot 1927 - van het hoopvolle begin van 'de eeuw van Amerika' tot aan de executie van Sacco en Vanzetti, twee anarchistische Italiaanse immigranten die tot woede van de linkse wereld zonder overtuigend bewijs op de elektrische stoel werden gezet. Dos Passos laat zien hoe Amerika in deze periode haar onschuld verliest, hoe het land in de ban raakt van corrupte politici en nietsontziende grootindustriëlen, en hoe de idealen van de Founding Fathers teloorgaan. Vooral Woodrow Wilson, die zich in 1916 tot president liet kiezen met een programma voor vrede en een jaar later Amerika in de Wereldoorlog stortte, moet het ontgelden.

In het begin van De 42ste breedtegraad is de toon nog optimistisch; zo komen we tussen tal van opgetekende nieuwsflitsen de heildronk tegen van senator Albert J. Beveridge: 'De twintigste eeuw zal een Amerikaanse eeuw zijn. (-) De Amerikaanse vooruitgang zal haar kleur en richting geven. Amerikaanse daden zullen haar luister bijzetten.' Drie romans en 1300 bladzijden later wordt naar aanleiding van de Sacco en Vanzetti-zaak in een ademloze woordenstroom geconstateerd dat Amerika is veranderd in een moreel failliete, verdeelde natie, 'kapotgemaakt door vreemden die de wetten hebben gekocht en de weiden hebben afgerasterd en de bossen hebben omgehakt voor houtpulp en onze mooie steden hebben veranderd in sloppenwijken (-) en wanneer ze maar willen de beul inhuren om de schakelaar te bedienen.'

Vier verschillende vertelprocédés wisselen elkaar af in U.S.A., elk gekenmerkt door een specifieke stijl. Er zijn hoofdstukken waarin een episode wordt verteld uit de levensverhalen van een aantal doorsnee-Amerikanen. Er zijn 'Journalen' ('Newsreels') van telkens een paar bladzijden waarin het verleden wordt opgeroepen door het naast elkaar plaatsen van krantekoppen, nieuwsberichten, soldatenliedjes, advertentieteksten en redevoeringen. Er zijn korte, ironische biografietjes van beroemde en beruchte Amerikanen als Edison, Theodore Roosevelt en J.P. Morgan. En ten slotte zijn er, onder de titel 'Het oog van de camera', impressionistische monologues intérieurs, die zich laten lezen als prozagedichten en die door de drie boeken heen de ontwikkeling schetsen van een zekere Jack wiens biografie veel overeenkomsten vertoont met die van John Dos Passos.

De stukjes 'Oog van de camera', vaak niet meer dan een of twee bladzijden lang, zijn stilistisch het spectaculairst. Wanneer ze de jeugd van Jack oproepen ('als je op straat loopt moet je altijd oppassen dat je goed op de stenen gaat staan anders trap je op de heldergroene grassprieten...') doen ze denken aan het begin van A Portrait of the Artist As a Young Man, waarin Joyce zich verplaatst in de gedachten van een klein kind. Wanneer ze scènes uit het frontleven beschrijven, zoals in het volgende fragment, lijken ze meer op de 'vignetten van geweld' waarmee Hemingway zijn beroemde verhalenbundel in our time (1924) doorspekte:

HET OOG VAN DE CAMERA (30)

herinnering aan de grijze gekromde vingers het dikke druppelen van bloed van het zeil het geborrel als de longgevallen proberen te ademen de modderige flarden vlees die je levend in de ambulance legt en er dood weer uithaalt

Gay Twenties

De experimenten met stream of consciousness in 'Het oog van de camera' zijn heel indringend en soms briljant, net als de collages van historisch materiaal in de 'Journalen'. Toch begreep Dos Passos dat hij zijn doel als schrijver, het mobiliseren en beïnvloeden van zoveel mogelijk lezers, voorbij zou schieten als hij U.S.A. te experimenteel (en daardoor ingewikkeld) zou maken. Verreweg het grootste gedeelte van de trilogie is dan ook gewijd aan de levens van de ongeveer vijftien 'gewone' Amerikanen die volwassen worden rond de Eerste Wereldoorlog en op een uitzondering na ten onder gaan in de zogenaamde Gay Twenties. Joe Williams bijvoorbeeld, een zeeman die van hot naar her zwerft, door vrouw en vriend wordt bedrogen en uiteindelijk aan de drank raakt. Johnny Moorehouse, een makelaarshulpje dat via rijke vrouwen carrière maakt en als machtige industrieel politici in Amerika en Europa om zijn vingers windt. En Richard Savage, die in zijn jeugd een dichter en idealist is, maar na zijn ervaringen in de loopgraven eindigt als gevoelloze cynicus. Want, zoals een van zijn kennissen in het Parijs van 1919 opmerkt: 'Dit is een tijd dat je je voor je kop zou schieten als je niet cynisch was.'

De biografieën van Joe, Johnny, Dick en de anderen zijn over het algemeen geschreven in een precieze, van tierelantijnen ontdane stijl die zich kenmerkt door korte en nevengeschikte zinnen en een hoog tempo - alsof er een superieure investigative journalist aan het werk is geweest. 'Machine prose for a machine world', heeft de Amerikaanse criticus Alfred Kazin het genoemd, 'proza dat de levensverhalen in het boek met zich meevoert als een lopende band in een of andere grote Ford-fabriek van de menselijke geest.'

Dat Dos Passos' zakelijke stijl niet gaat vervelen, komt in de eerste plaats doordat hij de meeste van zijn personages een eigen stem en eigen gedachten geeft; zelfs wanneer je alle concrete aanduidingen uit de hoofdstukken weg zou halen zou je weten in wiens 'leven' je je bevindt. Ten minste even belangrijk is de variatie die Dos Passos binnen één levensverhaal aanbrengt. Zo beschrijft hij vaak de jeugdjaren van zijn personages op een toon die je kinderlijk zakelijk zou kunnen noemen. Het droeve verhaal van Meissie ('Daughter') begint met: 'De Trents woonden in een huis aan Pleasant Avenue dat de mooiste straat was in Dallas dat de grootste en snelstgroeiende stad was in Texas dat de grootste staat van de Unie was en de zwartste grond en de blankste mensen had en Amerika was het prachtigste land ter wereld en Meissie was Paps enigste liefste meid.' Vervolgens wordt de stijl langzaam volwassener, en eindigt Meissies leven na twee hoofdstukken en 43 bladzijden met een sentimentloos beschreven vliegtuigongeluk bij Parijs: 'Meissie zag de glans van een vleugel die zo maar een stukje van het vliegtuig weggleed. De rondtollende zon verblindde haar terwijl ze neerstortten.'

Caleidoscoop

De levensbeschrijvingen in U.S.A. staan vol met mooie, ontroerende, deprimerende en pijnlijke passages. Ze registreren niet alleen nauwkeurig het dagelijks leven in het eerste kwart van deze eeuw, maar vormen met elkaar ook een caleidoscoop van de Amerikaanse samenleving in een tijd van grote veranderingen. Een mooi plaatje wordt het niet, en veel hoop is er na de 1200 bladzijden niet over. Amerika in 1927 is zoals de personages uit U.S.A. zijn: corrupt, decadent, cynisch en ontworteld.

Dos Passos' visie is misschien niet origineel; het verlies van Amerika's onschuld en de teloorgang van de Amerikaanse Droom is ook het thema van vele schrijvers vóór hem, van Cooper en Hawthorne tot Twain en Fitzgerald. Wat U.S.A. zo bijzonder maakt, zijn de stilistische en vooral de romantechnische vernieuwingen die Dos Passos wist door te voeren zonder dat dat ten koste ging van de leesbaarheid. Dos Passos was een realist die de wereld wilde laten zien zoals zij was en daartoe het leven van gewone mensen in rechttoe rechtaan proza beschreef. Tegelijkertijd was hij een modernist, die gretig gebruik maakte van de stream of consciousness en de collage-technieken die door schrijvers als Joyce en T.S. Eliot waren ontwikkeld, en die al in Manhattan Transfer had geëxperimenteerd met uit de cinematografie afkomstige procédés als montage en zooming.

Wat Dos Passos nastreefde met U.S.A. was literatuur die hetzelfde schokeffect bewerkstelligde als de films van Griffiths en Eisenstein, die hij zeer bewonderde. Net als zij werkte hij met abrupte overgangen, wisselde hij massascènes (oorlog, demonstraties) af met 'close-ups' van zijn personages, en maakte hij gebruik van cross-cutting en dynamic juxtaposition, het naast elkaar plaatsen van zeer verschillende teksten/beelden die elkaar becommentariëren; het vrolijke soldatenliedje ('Oh Oh Oh it's a lovely war') dat direct volgt op een koel bericht over het aantal doden in de loopgraven is maar een van de vele voorbeelden. Het maakt U.S.A. tot een bij uitstek filmisch werk dat zestig jaar na dato nog weinig aan tempo en originaliteit heeft verloren.

In Amerika werd Dos Passos na zijn dood in 1970 al gauw bijgezet in het literaire walhalla; schrijvers als Ralph Ellison en E.L. Doctorow verklaarden zich aan hem schatplichtig en zijn grote romans werden opgenomen in de canon van de twintigste eeuw. In Nederland is hij nooit veel gelezen; Manhattan Transfer verscheen pas in 1986 in vertaling en werd toen geen succes. Dat laatste geldt ook voor de nu door Paul Syrier vertaalde eerste twee delen van U.S.A. Dos Passos schijnt in Nederland niet te lopen, hoe jammer en onrechtvaardig dat ook is. Het is te hopen dat Syrier niettemin zijn vertaling van het laatste deel van U.S.A. nog zal kunnen publiceren. Opdat volgend jaar, rond de honderdste geboortedag van Dos Passos, de complete trilogie voor iedere Nederlander toegankelijk zal zijn.

    • Pieter Steinz