Jan Fabre strooit de poezië door het Westvlaamse Watou; Decors voor de dichtkunst in halfvervallen dorp

Sinds 1985 is het Belgische dorp Watou 's zomers gewijd aan beeldende kunst en poëzie. Dit jaar is Jan Fabre (geb.1958) uitgenodigd.

Watou '95. Dichters rond de beeldende kunstenaar Jan Fabre. Tot en met 9 september, dagelijks van 14.00-19.00u. Catalogus, uitgeverij De Bezige Bij, BF 350. Op 3 september lezen een aantal dichters voor.

WATOU, 14 JULI. Aan het eind van alle wegen ligt, in de zuidwesthoek van Vlaanderen, het gehucht Watou: halfvervallen en verlaten huizen en hoeven, verderop de linie van de Eerste Wereldoorlog.

Niemand heeft iets te zoeken in Watou. Behalve in de zomer, dan ondergaat het dorp een metamorfose. De dichter van het dorp, Gwy Mandelinck, zorgt er dan voor dat in die stille huizen poëzie klinkt, dat er poëzie op straat en op de muren geschreven staat. De poëzie gaat verbindingen aan met theater en beeldende kunst.

Beeldend kunstenaar en theaterregisseur Jan Fabre heeft deze poëziezomer de beschikking gekregen over Watou. Hij koos eenentwintig gedichten uit, van Hadewijch tot Mark Reugebrink, die op evenzovele plekken een theatrale vorm hebben gekregen. De toeschouwer beleeft elk gedicht driemaal. Eerst kunnen we het lezen op een glasplaat, die met een nachtblauwe bicpen is volgekrast. Vervolgens klinkt op de lokatie het gedicht, uitgesproken door acteurs en actrices als Julien Schoenaerts, Viviane de Muynck en Els Dottermans. Soms is de zegging fluisterend en verstild, een andere keer dramatisch en felbewogen.

Ooit verzuchtte Slauerhoff dat hij alleen in zijn gedichten kon en wilde wonen. Die droom van elke dichter heeft Jan Fabre voor Eddy van Vliet waargemaakt. Hij heeft diens prachtige vers Wetskamer letterlijk tot een kamer, klein en witgeverfd, getransformeerd. “Een zeepbel lang leeft de mens. / Radeloze broosheid maakt hem lam,' dichtte Van Vliet. Om die dood, dat voorbijgaan van de tijd, te bezweren koos Fabre ervoor om talloze voorwerpen uit zijn eigen jeugd in weckpotten voor de vergetelheid te behoeden. Ze staan uitgestald in de wieg, op de tafel, de schoorsteenmantel. Zelfs de stoelpoten worden omsloten door potten. Herinneren, bewaren geldt hier als enige verweer tegen de onverbiddelijke tijd.

Een gedicht tastbaar maken, de dromen en associaties die een gedicht kan oproepen in een theatraal beeld omzetten - daar gaat het Jan Fabre om. In een haveloos pand aan het plein, het Douviehuis, heeft hij in de wand van een kamer twee grote gaten gezaagd, als vensters die op het trapportaal uitkomen. Onmiddellijk vroeg ik me af: waartoe? Is de ontreddering van dit lege huis al niet groot genoeg? Dan lees ik het gedicht van Hadewijch dat erbij hoort: “Alle dinge / Zijn mi te inge / Ik ben zo wijd.' Ja, dat klopt, hier, in deze kamer, zat dus de ziel van Hadewijch opgesloten en ze is eruit gebroken, dwars door de muur heen. Eddy van Vliet kreeg beschutting van Fabre, Hadewijch mocht uit haar benauwenis breken.

Op de zolder van datzelfde huis staat een scheef ziekenhuisbed, waarvan de lakens blauw zijn bekrast. Een onmogelijk bed, dat zeker de slaap niet dient. Marc Reugebrink dichtte erbij: “'s Nachts wil mij het lichaam allebei / van hoofd tot voeten wezen, maar draaiend / van de ene op de andere zij blijft het / van tweeën één.'

Loop van de zolder van dit huis naar de kelder, ruik het oude hout, en onderga in het duister beneden een klein wonder. Nee, wacht even, eerst staat er op een verdieping een reusachtige kast, te groot voor de ruimte, die Gerrit Kouwenaars gedicht Leven in een huis zichtbaar maakt: “in een hoek nog een oud kind / in een kast een vergeten / liefde.' Alweer gaat het over vroeger, over wat voorbij is, over wat iedereen zo intens wil behoeden en bewaren: de liefde, de kindertijd.

Beroemder Vlaams gedicht dan Het schrijverke van Guido Gezelle bestaat er niet. Onder de immense balken van de kelder heeft Fabre een bassin met water gevuld. Aan die balken hangen ontelbaar veel gebruikte theezakjes, ze draaien wervelend rond op de tochtstroom, van opzij valt daglicht binnen. In de gladde waterspiegel worden ze weerkaatst. Als de ogen aan het donker gewend zijn, beginnen ze op vlinders te lijken die onder het gewelf dwarrelen. En kijk je naar het water dan is elk theezakje een 'schrijverke' dat, krinkelend, onzichtbare woorden op het water schrijft. Maar Gezelles gedicht is ook een verontrustend gedicht, want het gaat over de vergankelijkheid van het geschreven woord. Er staat immers: “Gij schrijft, en 't en staat in het water niet, / gij schrijft, en 't is uit en 't is weg.'

Het mooiste is om Fabres theatrale doolhof in Watou als een raadselachtige droomwereld te ondergaan. Natuurlijk, we kunnen elk symbool, elk beeld, ontraadselen door het tot op het bot te analyseren. Maar dan gaat er iets van de betovering verloren. Hij heeft van Watou een spel gemaakt, voor het oog en voor het oor. Kijk maar eens omhoog naar de kerkgevel, daar staart een blauwe wijze uil over het marktplein uit. Er zijn zeven van die uilen verspreid. Wie goed kijkt, vindt ze. Uilen, die zijn zeker te duiden. Maar wat moet ik denken van de aan Gerrit Achterberg opgedragen kamer die Vliegenvangerkamer heet en waarin honderden uitgerolde, klevende vliegenvangers vanaf het plafond naar beneden hangen? Pure esthetiek?

Of is dit de, misschien ironische, uitbeelding van de dichter die wacht op de inspiratie die komt in woorden zoals de vliegenvangers roerloos wachten op vliegen? Van opperste schoonheid is het decor voor een gedicht van Marcel Broodthaers. Van een van de stallen van de Douviehoeve is een theaterzaal gemaakt. Ik schuif het zwarte gordijn open en stap in een andere wereld. Op de grond glinstert steenkool zilverzwart. Aan het plafond hangen een paar honderd glazen, alle gebarsten, half gebroken. Tegen een zijdewit achterdoek wordt onophoudelijk een performance van Fabre geprojecteerd: drie hardlopers die komen aangesneld, op de film teruggezet worden, en opnieuw vooruit hollen. In eindeloze herhaling. De glazen flonkeren als sterren in de nacht. Door het gordijn open en dicht te schuiven kan ik als toeschouwer de mate van schittering bepalen: heel zacht glanzend als het bijna duister is, of stralend helder als ik de zon overvloedig naar binnen laat schijnen.

Ondergaan, dat is de opdracht in Watou, niet teveel duiden. De zintuigen alle kans geven. Kijken naar de schittering van juweelkevers die de gestalte van een engel vormen, ergens in een verlaten stal. Je kunt ze ook ruiken; er is de geur van verrotting. Die groenblauw glanzende, tropische kevers verwijzen ongetwijfeld naar het kleine, nietige 'schrijverke' van Guido Gezelle. Zo maakt de toeschouwer, al verbanden leggend, zijn eigen voorstelling.

Watou is een plaats met historie. De loopgravenoorlog van '14-'18 is onuitwisbaar in het landschap aanwezig. Een oorlog herdenk je met kruisen voor de doden. Fabre herdenkt ook. Maar dan insekten. In een grafkelder in een wijd stuk land dat Grensland heet staan blauwe kruisen opgesteld, elk voorzien van een naam van een zeldzaam of misschien uitgestorven insekt: rupsendooder, spanrups, weverboktor, gouden loopkever. In het midden prijkt het kruis met de naam van Gezelles gedicht: schrijverke. Half onder de grond is het doodstil. Boven ritselt de wind in de populieren. Hier, bij deze beladen, onheilspellende plek, hoort het gedicht West-Vlaanderen van Hugo Claus: “Lenteland van hoeven en melk / En kinderen van wilgehout // Blonde omheining / Met doofstomme boeren bij de dode haarden / Die bidden 'Dat God ons vergeve voor / Wat hij ons heeft aangedaan'.