'Indisch kampkind' blijft pijn voelen

De wonden die toen geslagen zijn, helen nooit helemaal. Vaak valt ermee te leven, maar bij sommigen veroorzaken ze nog altijd veel pijn. Voormalige 'Indische kampkinderen' kunnen daarover meepraten. De een wil niet praten, probeert zijn herinneringen te vergeten. Een ander spreekt er wel over, zij het op voorwaarde dat in de krant niet zijn echte naam wordt genoemd.

Roel, wiens familie generaties lang in Indië leefde, is één van hen. “Ons jongenskamp was in een oude KNIL-kazerne en bestond uit zeven stenen en twaalf open barakken. Eerst was ik samen met mijn moeder en mijn zusjes in het vrouwenkamp. Daar werd ik in november 1944 weggehaald. Zo heel dramatisch was dat niet. Ik hield me flink, dat had ik zo geleerd. Maar dat mijn zusje zo ontzettend huilde, dat vond ik vreselijk. Later in het jongenskamp heb ik ook vreselijk gehuild. Ik was toen een nogal huilerig ventje, een weerloos kind zonder veel 'zelfredzaamheid' om dat moderne woord te gebruiken. Dat heb ik nog niet zo lang geleden, toen ik in therapie was, ontdekt.”

In het jongenskamp zaten zo'n 800 jongens van tussen de twaalf en veertien jaar. “Ik was twaalf en hoorde bij de jongsten. We liepen er op onze blote voeten. Wat ik uiteindelijk aan kleding nog bezat, was niet meer dan een broekje. In het voorjaar van 1945 had ik vreselijke last van diarree. Daarmee heb ik nog zes weken in het ziekenhuis gelegen. Niet zo zeer om te genezen want er waren geen medicijnen, maar om meer voedsel te krijgen. Er zijn er in dat kamp niet veel dood gegaan. Maar er heerste wel veel vitaminegebrek, hongeroedeem en dysenterie. Het had beslist geen half jaar langer moeten duren. Dan waren wij er allemaal aangegaan.”

Toen Roel uit het ziekenhuis kwam was de oorlog nog niet afgelopen en moest hij in het kamp weer aan het werk. Eerst in de moestuin, later zandsjouwen en spoorwagons lossen buiten het kamp. “Dat had als voordeel dat je nog eens iets van de buitenwereld zag. Maar aan de andere kant was het ook heel vernederend om als hoogblond ventje onder bewaking door de stad te moeten lopen.”

Roel dacht altijd dat het wel goed zat met de verwerking van zijn kampervaringen. Totdat hij er tien jaar geleden plotseling bijna aan onderdoor ging. “Door mijn therapie ging ik me herinneren dat ik in de moeilijkste kampperiode veel steun kreeg van een iets oudere jongen en dat die me erdoor heeft gehaald. Ik heb hem altijd terug willen vinden. Via een radioprogramma ben ik daar in geslaagd. Ik heb hem een paar keer ontmoet. Dat heeft het leed van de kamptijd wel erg verzacht.”

Nederlanders die de oorlog met Japan hebben meegemaakt, hebben zich nadien lang een vergeten groep gevoeld. Voor de oorlog waren er in het Nederlandse koloniale gebied in De Oost ongeveer 290.000 vol- en halfbloed Nederlanders en andere Europeanen. 40.000 van hen waren krijgsgevangen gemaakt en ongeveer 80.000 (vrouwen, kinderen en niet-krijgsgevangen mannen) waren geïnterneerd in burgerkampen. Ruim de helft van alle niet-Indonesiërs is buiten de kampen gebleven.

Voor vrijwel alle kinderen betekende de oorlog dat het familieverband uit elkaar viel. Vaders sneuvelden of werden krijgsgevangenen, jongens van boven de achttien moesten naar mannenkampen en tienjarigen werden, omdat ze door de Japanners als mannen werden beschouwd, uit de vrouwenkampen gehaald en in jongenskampen opgesloten. Moeders, dochters en jongere zoons bleven meestal bij elkaar. Iedereen leed een sterk bedreigd bestaan. Dat werd nog erger doordat in de laatste bezettingsmaanden steeds het gerucht ging dat ook vrouwen en meisjes uit elkaar gehaald zouden worden en afzonderlijk naar werkkampen zouden worden gestuurd. Of dat jonge jongens naar een landbouwproject op Borneo zouden worden gestuurd of zouden worden 'uitgedeeld' aan Japanse moeders die zoons hadden verloren.

In welke mate kinderen onder hun kamptijd hebben geleden of nog steeds, werd in 1979 duidelijk door de studie van psychiater H.A. Keilson over sequentiele (herhalende en opvolgende) traumatisering bij kinderen en het artikel De Japanse kampen; nog geen verleden tijd van de hand van P.G. Bekkering en M. Bekkering-Merens in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (1980). Pas toen is begrip ontstaan voor het verschijnsel 'kampkinderen' en werd het begrip kampkind gezien als een sociale realiteit.

De psychiater G.W. van Tiel-Kadiks, hoofd van de polikliniek van Centrum 45 in Oegstgeest, is een van de artsen die voormalige 'Indische kampkinderen' behandelt. Ze zegt dat lang niet alle traumatische ervaringen blijvende en ernstige gevolgen hebben gehad. Bijzonder ingewikkeld is volgens haar wat kleine kinderen hebben meegemaakt want “hoe jonger men was des te meer zijn ervaringen verbakken met de persoonlijkheidsontwikkeling en des te moeilijker is het om iets als gevolg van oorlogstrauma's te herkennen”. Voor de kampkinderen tot vijf jaar geldt dat zij in de kwetsbaarste periode van hun leven nauwelijks het essentiële basisgevoel van vertrouwen en veiligheid konden meekrijgen. “Niet alleen zij werden getraumatiseerd, maar hun moeder ook”, aldus Van Tiel.

(wordt vervolgd)