Het antwoordloze waarom; Iskander, de laatste roman van Louis Couperus

Behalve een historisch drama is de Alexander-roman Iskander een samenvatting van alle thema's van Louis Couperus. De verwording van Alexander de Grote in Azië, zijn trage neergang van stralende jonge veroveraar naar vroegoude, wrede despoot en dronkelap, maakt hem tot een Couperiaans personage bij uitstek.

Louis Couperus: Iskander. Deel 42 van de Volledige werken, bezorgd door H.T.M. van Vliet, J.B. Robert en Oege Dijkstra. Uitg. Veen, 547 blz. Prijs: ƒ 49,50.

Iskander is de laatste roman die Couperus schreef. Hij verscheen in 1920, dat wil zeggen, tweeëndertig jaar na Eline Vere en twee jaar vóór Joyce's Ulysses. In de drie decennia tussen zijn Haagse debuut en de roman over Alexander de Grote, was er de opmars van de auto, bloeide het modernisme, kreeg de filmkunst zijn beslag, had er een wereldoorlog plaatsgevonden en Couperus zelf had zich bijna doodgewerkt. In 1920 was hij een veelschrijver met een grote reputatie en bescheiden oplagen, en allang niet meer bij de tijd: sinds de roman Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan (1904) had hij geen werk van langere adem meer geschreven waarin hij het heden verbeeldde. Wat volgde, waren de feuilletons, de reisverhalen, en romans waarin hij de wereld van de actualiteit op een zo groot mogelijke afstand leek te willen houden. Het antieke Rome, de wereld van de Griekse oudheid, koning Arthur en zijn ridders, een donker hoofdstuk uit de geschiedenis van Granada, legendes, mythen, fantasieën - Couperus leek zich er alles aan gelegen te laten liggen tijdens de laatste jaren van zijn leven aan de tijd zelf te kunnen ontsnappen.

Die neiging kwam niet alleen voort uit een persoonlijk, al dan niet bewust escapisme. Couperus schreef geen ideeënromans, maar hij was wèl een denkend schrijver; en hij zag domweg geen toekomst voor het psychologisch realisme. In zijn biografie citeert F.L. Bastet een artikel dat Couperus schreef over een onleesbare roman Koningen (1919) van Is. Querido, waarin hij de nieuwe Nederlandse literatuur met een even ironische als dodelijke vriendelijkheid het graf van de middelmatigheid in prijst. Proef deze zinnen: 'Onzer dagen bloeien in den lande vele talenten. Onze schrijvers en schrijfsters zijn bijna allen talentvolle; zij hebben bijna allen min of meer talent en onze hedendaagse letterkunde is de bij uitnemendheid talentvolle, rijk bezaaid met romans en novellen (-) Het gaat maar door: roman volgt roman, novelle novelle; men behoeft maar redakteur van een maandschrift te zijn om aan den lijve te ondervinden hoeveel talentvols in novelle en roman er door onze letterkundigen geproduceerd wordt.' En na al dat talentvols volgt de doodklap: 'Ik kan mij vergissen maar voor mij staat het vast, dat geheel deze literatuur - op een enkel meer dan talentvol en representatief werk na - ten ondergang is gedoemd binnen een halve eeuw, binnen tien jaren, binnen morgenochtend. Voor mij is de psychologische, bourgeoise roman en het dito kortere verhaal geschreven. Er is niet meer aan toe te voegen. Het is een uitgeput genre, dat nu geduurd heeft vanaf Madame Bovary of vroeger.'

'Het gaat maar door' - en het is steeds maar doorgegaan, tot op de dag van vandaag, tot aan de nieuwste roman over overspel en echtscheiding en gezinsproblemen, pillenslikkerij en hoerenloperij, die volgende week in de winkel zal liggen. Het antwoord van Couperus op het modernistische dilemma - hoe kan de literatuur nog overtuigend vorm geven aan een hopeloos gefragmenteerde wereld? - leek op het eerste gezicht een ontkenning, een vlucht: de historische roman. Deze schrijver probeerde geen nieuwe vormen te vinden om het heden onder woorden te brengen, hij blies een bij uitstek negentiende-eeuws genre nieuw leven in. In plaats van zich aan de actualiteit uit te leveren, zocht hij onderdak in de tijdloze wereld van archeologie en geschiedkunde, literaire bronnen en gedenkschriften.

Krakende wereld

Was het een vlucht? Als Couperus uit zijn raam keek, zag hij een 'krakende wereld'. In een brief aan een kennis schreef hij in 1919: 'U zal mij onverbeterlijk vinden maar omdat ik deze tijden, die de wereld doormaakt en die ik beleef, niet kàn over moderne mensen schrijven, schrijf ik een roman: Alexander en de Vrouwen. Het is de roman van Alexander de Grote en zijn psychologische verwording in Azië. Quintus Curtius, Arrianus en Plutarchos zijn de grootste bronnen... En zo een werk troost mij, maar ik geloof wel, dat het vreemd is...' (Ik pas de spelling maar aan, omdat ik het gevoel heb dat de oude spelling van Couperus hem voor moderne lezers een onverdiend ouderwets uiterlijk geven.)

De lezers vonden het ook vreemd, denk ik, vreemder in ieder geval dan Eline Vere of De boeken der kleine zielen. Ik geloof dat van Couperus' grote romans Iskander tegenwoordig het minst gelezen wordt. Het boek is jarenlang niet eens verkrijgbaar geweest. De nieuwe, zorgvuldige teksteditie die nu als deel van de Volledige Werken is verschenen, betekent dan ook een soort van eerherstel. Nu de storm van het modernisme is uitgeraasd, staat Couperus' historische roman nog recht overeind. Iskander blijkt bij herlezing allesbehalve een relikwie van een negentiende-eeuwse schrijver die na de Eerste Wereldoorlog definitief de weg kwijt was.

Cameravoering

Allereerst is het een schaamteloze spektakelroman, sprankelend en schitterend aan de oppervlakte; een filmisch drama in cinemascope en technicolor, een epos in breedbeeld, met een behendige afwisseling van grootse massascènes en onverwachte, intense close-ups - adembenemende scènes zoals die waarin de Perzische koning Dareios in zijn tent op zijn moordenaars wacht, of die waarin de maîtresse van een van Alexanders veldheren moet gade slaan hoe haar man door valse beschuldigingen onherroepelijk zijn ondergang tegemoet gaat. Wat een duizelingwekkende cameravoering, wat een gevoel voor kleur en ruimtelijk perspectief.

De opening bijvoorbeeld: Macedonische troepen trekken door het zongeblakerde landschap van Perzië. Ze zijn op weg naar Tarsos waar Alexander zijn leger heeft verzameld; de soldaten hebben gediend onder de vader van Alexander, maar kunnen, net als wij lezers, niet wachten om de mythische jonge vorst, die op het punt staat slag te leveren met de Perzische koning Dareios, te aanschouwen. Het is een massascène: Couperus plaatst de soldaten trefzeker in een oneindig uitgestrekt en verstild niemandsland, vol bergen en rotsen. Er verschijnt een groep zwarte Lybische vrouwen die aan piraten ontvlucht zijn. Ook zij hebben van Alexander gehoord en proberen van de soldaten alles over hem te weten te komen. De soldaten beschrijven hem nauwgezet, hoe hij eruit ziet, hoe hij ruikt, de kleur van zijn ogen, zijn gedrag ('Alexander is heel kuis, verzekerde Aristoxenes. Hij zoent niet zo gauw en laat zich zo gauw niet zoenen'). Maar zij hebben Alexander nog niet gezien, en wij evenmin. Dan verschijnt een hopman van het hoofdleger: hij meldt dat Alexander op sterven ligt.

Op de schok van die mededeling, laat Couperus een scènewisseling volgen. We zijn in de tent van de zieke Alexander, die niet bij bewustzijn is. Een close-up: door de ogen van de geneesheer die hem verzorgt, bestuderen we zijn slapende gezicht. De geneesheer mijmert over Alexanders jonge leeftijd (hij is tweeëntwintig), zijn fabelachtige loopbaan als vorst en veroveraar, en het stralende licht waarmee zijn gelaat omhuld lijkt. Er vindt meteen een dramatische intrige plaats: Alexander is gewaarschuwd tegen de geneesheer, die zou zijn omgekocht door de Perzische vijand. Maar met de brief waarin van dat verraad verteld wordt in de hand, heeft Alexander het geneesmiddel gedronken dat zijn lijfarts hem heeft gegeven. Natuurlijk wordt zijn vertrouwen niet beschaamd; Alexander geneest, staat op, en gaat zijn troepen toespreken. Volgende massascène. Wij lezers zijn dan inmiddels van alle kanten omringd door de wereld van de roman.

Dit is historisch drama, exotisch, heftig, gekunsteld, melodramatisch zelfs, maar het is geen Cecil B. DeMille. Iskander doet mij eerder denken aan twee late, historische films van Kurosawa, Kagemusha en Ran; achter de kleurrijke façade van veldslagen en hofintriges, gaan de obsessies van een oude kunstenaar schuil. Behalve een historisch drama is Iskander een samenvatting van alle thema's van Couperus' kunst. De verwording van de jonge Alexander in Azië, zijn trage neergang van stralende jonge veroveraar naar vroegoude, van binnen uitgeholde, wrede despoot en dronkelap, maakt van hem een Couperiaans personage bij uitstek.

Deze laatste roman is een boek vol echo's.

Waar gaat Alexander aan ten onder? In De stille kracht had Couperus de onverenigbaarheid van oost en west laten zien, of liever, de onmogelijkheid van de ene cultuur, de westerse, om zich door middel van overheersing in de andere, de oosterse, te wortelen - wat die roman tot een veel genadelozer aanval op het kolonialisme maakt dan Multatuli's Max Havelaar. De persoonlijkheid van de resident valt uiteen, niet omdat hij de goena-goena die zijn huis teistert niet de baas kan (daar maakt hij moeiteloos een einde aan), maar omdat hij, de westerse rationalist, het niet begrijpt; vervolgens blijkt zijn hele bestaan op zand gebouwd en dat besef is voor hem onverdraaglijk.

Engel der wrake

In Iskander bezwijkt de westerse overheerser voor de oververfijnde verleidingen van de Perzische beschaving. Tegenover Alexander stelt Couperus de kruiperige Perzische euneuch Bagoas, die zich aanvankelijk ontpopt als een melodramatische engel der wrake; hij zal de eenvoudige, krachtige overwinnaar langzaam ondermijnen door dans, drugs, en seks. De mooie, slangachtige Bagoas lijkt een van die parasitaire homoseksuele verleiders die in de Haagse romans van Couperus zo vaak opduiken, zoals Vincent Vere in Eline Vere en Bertie van Maeren in Noodlot. Maar halverwege de roman worden de rollen subtiel omgedraaid: terwijl Alexanders persoonlijkheid langzaam desintegreert en hij steeds wraakzuchtiger wordt, verandert Bagoas' haat in liefde. Alexander valt niet te redden door liefde, zelfs niet door de liefde van een mooie jongen; Bagoas moet ontdekken dat zijn rol ondergeschikt is, hij is slechts een toeschouwer, een instrument in een proces dat onafwendbaar is.

En opnieuw is er de stille kracht: 'het was wat zweefde in de lucht als onzegbaar aroom en doordrong in bloed en ziel dier jonge veroveraars.' De bejaarde filosfische veldheer Parmenion, die het slachtoffer van Alexanders paranoia zal worden, vraagt zich naar het einde van de roman af waarin die vernietigende kracht schuilt. Zijn het de Perzische vrouwen, de familie van de gevluchte Dareios, die de koning hebben ondermijnd. Is het Bagoas? 'En het was noch het een noch het ander, dacht Parmenion; het waren geen drank en geen dans, geen geurige weelde en verwekende, aloude wellusten maar het was dit alles tezamen, dat te vrezen was voor de Macedoniër, voor Alexandros, voor zijn eigen zoon Filotas, voor iedere veldheer, voor iedere soldaat, die reeds te lange jaren in deze landen marde...'

Wreedheidsbedenksel

Uiteindelijk worden alle fundamenten onder Alexanders persoonlijkheid weggeslagen, zodat hij wordt teruggeworpen op zichzelf. Dat blijkt fataal. Iskander beschrijft de desintegratie van een persoonlijkheid, zoals Joseph Conrad dat deed met Kurtz in Heart of Darkness: in het begin van de roman is Alexander een en al genade en gerechtigheid, later leeft hij zich uit in willekeurige executies en blinde moordpartijen. Maar zelfs de wreedste terechtstelling brengt geen voldoening meer. Hij beveelt zijn soldaten een man zijn neus en oren af te snijden, hem meteen daarna te kruisigen en hem dan met pijlen te doorboren. 'Hij wist niet wreder straf te verzinnen en slikte zijn speeksel van ergernis en onvoldaan wreedheidsbedenksel.' Net als Kurtz ontwaart Alexander binnenin zich plotseling een gapende leegte, zo groot dat het hele universum te klein is om die te vullen. Overal probeert hij tevergeefs zijn sporen na te laten: 'Alexandros stichtte de steden en noemde ze met zijn naam: in eenzaamheid en onder de zanden of sneeuw verzonken, bleven zij achter, achter de tred des Overwinnaars.'

Alexanders verovering van de wereld leidt hem slechts naar een visioen van de totale zinloosheid. Het graf van zijn grote voorganger Cyrus wordt ontsloten en wat Alexander daar aantreft is een stank van bederf en schimmel. Spinnewebben, tot stof vergane gewaden, een halfvergaan, verstoft lijk: 'Het scheen ontheiligd, verwrongen: een been, gebroken, lag er los bij.' Alexanders overmoed schrompelt ineen, hij is nu niets anders meer dan een bange, nietige man in een wezensvreemd universum. Na hem zullen er nieuwe koningen zijn, nieuwe oorlogen gevoerd worden, nieuwe rijken gesticht, 'en alles zou wederom de vreselijke stroom des Tijds mede slepen, achter latende de wanhopige, verbaasde mens, die zich af zou vragen het vreselijke, eeuwig antwoordloze waarom van al dit eindeloze worden en eindeloze vergaan der grootste, bereikbare dingen!'

Het eindeloze worden, het eindeloze vergaan, en het antwoordloze waarom; in zijn laatste roman vat Couperus niet alleen zijn oeuvre samen, maar drijft hij zijn thema's ook tot het uiterste. Het drama van De stille kracht is hier universeel gemaakt. De historische icoon Alexander de Grote blijkt van twintigste-eeuws vlees en bloed - losgeslagen, neurotisch, verslaafd, uitgehold. Via de omweg van de geschiedenis is Couperus gelukt waar zo weinig Nederlandse schrijvers nà hem nog in geslaagd zijn: de eigen tijd het hoofd te bieden. Ik ken geen Nederlandse romanschrijver die op zo'n overweldigende manier afscheid heeft genomen.