Heijmans wil in top vijf van bouwwereld

Het Brabantse bouwconcern Heijmans stelt zich een positie in de top vijf van de Nederlandse bouwers ten doel. Maar, zo onderstreept bestuursvoorzitter J.P.M. Janssen RA.: “Een grotere omzet alleen is niet zaligmakend. Ook onze marge moet omhoog, hoewel de bouw nooit een vetpot zal worden”.

ROSMALEN, 14 JULI. Heijmans heeft grote plannen. Zette het bedrijf in 1990 nog 850 miljoen om, vorig jaar was dat opgelopen tot 1.175 miljoen en dit jaar zal naar verwachting van bestuursvoorzitter Janssen de 1.400 miljoen ruim worden gepasseerd. Maar dat is niet genoeg. Voor de eeuwwisseling moet volgens Janssen de omzet naar de twee miljard gulden.

Op de overbevolkte Nederlandse bouwmarkt, waar Heijmans thans wat omzet betreft tot de top tien behoort, staat snel groeien gelijk aan het overnamepad inslaan. Want op eigen kracht het marktaandeel substantieel vergroten duurt jaren.

Om aankopen te financieren schreef Heijmans begin deze maand een aandelenemissie uit. Het gaat om een zogeheten claimemissie met een verwachte netto opbrengst van 45 miljoen gulden. Aan elk uitstaand aandeel is een claim verbonden. Voor 19 juli kan de bezitter van vier van deze claims zich inschrijven op één nieuw aandeel Heijmans. De uitgifteprijs is 73 gulden.

Heijmans (2.917 werknemers) is traditioneel sterk in de wegen- en de woningbouw. Het geld van de emissie heeft het nodig om het eigen vermogen ten opzichte van het totale vermogen op peil te houden. De solvabiliteit staat onder druk door de inlijving van twee bedrijven: Noorlander Beheer in Leiderdorp, een woningbouwer met 140 werknemers en een jaaromzet van 110 miljoen gulden en V.A.G. Genk, met 320 werknemers actief in Belgisch Limburg in de wegen-, utiliteit- en leidingbouw en goed voor 90 miljoen omzet.

“We hadden bij de financiering van deze overnames de keuze tussen een onderhandse aandelenplaatsing bij een Nederlandse institutionele belegger en een claimemissie”, licht Janssen toe. “Achteraf hebben we met die claimemissie goed gekozen. Want we wilden voor onze aandeelhouders, ook als ze niet aan de emissie deelnemen, een substantiële waarde van de claim hebben, dat is gelukt”. Janssen haalt een brief van de Vereniging van Effectenbezitters van zijn bureau. “Kijk, de VEB complimenteert ons, dat we het zo gedaan hebben”. Een aandeelhouder Heijmans kan thans zijn claims verkopen op een koers die schommelt rond de 4 gulden per stuk.

Kunnen deze aandeelhouders tevreden zijn, dat geldt niet voor een aantal ex-aandeelhouders die in 1993 bij de beursgang van Heijmans van hun stukken afscheid namen. Zij vragen Janssen weleens of het concern niet te goedkoop naar de beurs is gegaan. Het vaststellen van de prijs van de uitgifte in het najaar van 1993 was echter geen makkelijke opgave, stelt de bestuursvoorzitter. Het deel van de verkopende 70 particuliere familie-aandeelhouders, circa 20 procent, mocht niet tekort worden gedaan. Aan de andere kant wilde het concern niet het onderste uit de kan: ook de nieuwe aandeelhouders wilde het recht in de ogen kunnen kijken.

Uiteindelijk prikte Heijmans een koers van 40 gulden. Voor dat bedrag werd 35 miljoen opgehaald. Daarvan kwam 20 miljoen uit een herplaatsing van aandelen en 15 miljoen uit een emissie. De uitgifteprijs van 40 gulden was “een faire koers”, vindt Janssen.

Belangrijk motief voor de beursintroductie in 1993 was het verkrijgen van toegang tot de kapitaalmarkt om zo het groeiplan van het concern te realiseren. Het bleek dat familieleden van oprichter J. Heijmans - in april 1923 als stratenmaker begonnen - en enkele buitenstaanders die expansie niet langer wilden en soms ook niet konden financieren. Ze maakten hun bezit liever te gelde. Degene die afscheid namen maakten achteraf geen gelukkige keuze. De 40 gulden die zij destijds ontvingen was nagenoeg gelijk aan de intrinsieke waarde (eigen vermogen gedeeld door geplaatst aantal aandelen). De aandeelhouders die verkozen de rit mee te maken blijken nu veel beter af. Niet alleen zijn hun stukken inmiddels op de beurs in waarde gestegen tot rond de 86 gulden, ook profiteren ze van een ruimer dividendbeleid. Voor de beursgang kregen de aandeelhouders 15 procent van de winst uitgekeerd, na de introductie werd dat percentage opgetrokken tot 40.

Ook het management van Heijmans - onder wie de drie leden van de raad van bestuur - vaart wel bij de beursgang. Ter gelegenheid daarvan werd in 1993 voor hen een optieregeling gecreëerd in aanvulling of ter vervanging van gratificaties. Inmiddels ontvingen zij 70.139 opties, waarvan er volgens het emissieprospectus 38.966 nog niet zijn uitgeoefend. Uit het jaarverslag blijkt dat per ultimo 1994 van de destijds circa 48.000 uitgereikte opties er 26.056 nog niet waren uitgeoefend. Tegen de huidige beurskoers vertegenwoordigt dat pakket een waarde van ruim 9 ton. De circa 22.000 opties die na de jaarvergadering in mei werden toegekend hebben een uitoefenprijs van 75,50 gulden.

Met de beursgang in 1993 kwam 35 procent van de aandelen in andere handen. De rest van de particuliere aandeelhouders bracht hun stukken onder in een Stichting Gemeenschappelijk bezit. Deze Stichting kreeg het stemrecht op de gecertificeerde aandelen. Met deze aandeelhouders werd tegelijkertijd de afspraak gemaakt dat hun bezit gefaseerd tot 1999 op de beurs kan worden verkocht, om te voorkomen dat een eventuele overvaller alle stukken ineens opkoopt. Met de nieuwe emissie, 649.586 aandelen groot, slinkt overigens het belang van de Stichting tot onder de 50 procent.

De emissie zal niet leiden tot een verwatering van de winst. De twee aangekochte bedrijven renderen volgens Janssen boven Heijmans' gemiddelde. De netto marge (netto winst gedeeld door omzet) van het concern bedroeg vorig jaar 1,7 procent. Heijmans streeft naar 2,2 procent. Het werkt aan verbetering van die netto marge door onder meer stringente procesbewaking van zowel kosten als kwaliteit.

Groter worden is geen doel op zichzelf, beklemtoont Janssen, die in januari de voorzittershamer overnam van de pensioengerechtigde L.J.M. Heijmans. Daarvoor was hij sinds 1988 binnen de raad van bestuur verantwoordelijk voor de portefeuille financiën. De markt dwingt volgens Janssen tot expansie. Dit wordt onder meer veroorzaakt door de toenemende aandacht voor kwaliteit, veiligheid en milieu, gecombineerd met een sterkere betrokkenheid en verantwoordelijkheid van de aannemer in de totstandkoming van bouwwerken. Het niet alleen bouwtechnisch realiseren, maar ook binnen de budgetten compleet ontwerpen van projecten, leidt ertoe dat al voor de aanbesteding aanzienlijke geldsommen geïnvesteerd worden in voorontwerpen en bouwplannen. Dat stelt hoge eisen aan het kennisniveau en dienstenpakket. Slechts grote bouwers zouden daaraan kunnen voldoen. “Je krijgt een scherpe tweedeling in de markt”, voorziet Janssen. “Een klein aantal grote bouwers dat door zijn omvang zwaar in kennis kan investeren en grote infrastructurele bouwwerken aankan, zoals de Betuwelijn en een variëteit aan sterke regionale bedrijven. Het kleine bouwbedrijf dat landelijk werkt zal geheel verdwijnen.”