Geen café maar een genootschap

Café de Pels, 1970-1995. Uitg. Café de Pels. Prijs: ƒ 25,-

Dit wordt een wat problematisch stukje, want ik ben er wel eens geweest. Dat is minstens anderhalf jaar geleden en eerlijk gezegd was er toen niks dat me opviel: een gewoon café, gematigd bruin zou je kunnen zeggen, met een wat krappe passage langs de bar naar de wc's. Een café zoals er in Amsterdam nog een paar honderd zijn, al zag ik wel een aantal gezichten die ik vaag ergens van kende. Die wat corpulente man met dat hondje aan de bar bijvoorbeeld: was dat niet een tekenaar?

Maar goed, nu is het boek Café de Pels, 1970-1995 verschenen en begrijp ik dat ik niet in een gewoon café een biertje heb staan drinken, maar in een soort geheim genootschap. Tenminste, daarvan zijn verscheidene van de auteurs annex Pels-habitués overtuigd: 'In een kroeg voeg je je bij een stam en binnen de muren van die tent is die stam verbonden door een code. Die code luidt dat niets van wat je doet en zegt, vanaf het moment dat je de drempel van de kroeg hebt overschreden, aan de buitenwereld verraden zal worden', meldt schrijfster Connie Palmen bijvoorbeeld. En columniste Yvonne Kroonenberg voegt daaraan toe: 'Zoals de gouden koets van Assepoester om twaalf uur in een pompoen verandert, vind ik dat de intimiteit van de Pels niet naar buiten mag treden. Na sluitingstijd op vrijdagavond is de betovering verbroken en zijn de gesproken woorden vervlogen. Dat is de afspraak, onder collega's.'

Vooral die uitspraak van Kroonenberg is merkwaardig, omdat ze in haar stukje daarvoor juist uitgebreid uit de school heeft geklapt over schrijver J.Z., die weer een roddel van Kroonenberg uit De Pels zou hebben doorverteld aan journaliste J.D. die toevallig juist het onderwerp van die roddel was - nogal cryptisch allemaal. Wat wel duidelijk wordt, is dat Kroonenberg zelf allang in een enorme pompoen zou zijn veranderd als ze zich aan haar eigen regels zou hebben gehouden en dat je haar in een café dus beter maar kunt mijden.

Door het stukje van Kroonenberg begin je je wel af te vragen of het nou een leuk café is, De Pels. Daarvan lijkt het boek wel een goede indruk te geven, al zijn het voornamelijk schrijvers, journalisten en beeldend kunstenaars die eraan hebben meegewerkt. Als je het uit hebt kun je je inderdaad voorstellen een avond in De Pels te hebben rondgehangen en het pandemonium van vaste bezoekers voorbij te hebben zien trekken - een soort Coronation Street voor 'intellectuelen' dus. Aan de bar hangt vast de onbedaarlijke roddeltante waar je beter niet bij in de buurt kunt gaan zitten, er is de platte populist die door het café schreeuwt en het heeft over 'jong grut dat ten tijde van de opening nog in de verrekijker van hun vader zat', er is de voormalige eigenaar die schrijver A. F. Th. van der Heijden een hak probeert te zetten door onder Van der Heijdens naam een incrowderig stukje te publiceren. Duidelijk de personen aan de bar die je beter kunt mijden.

Daar staat tegenover dat er ook mensen in het boek schrijven met wie het vermoedelijk uitstekend toeven is - als je dat tenminste op grond van hun ene bijdrage kunt beoordelen. Zo is er de romanticus die in De Pels zijn sadness without reason wegdrinkt, de peinzer die zich urenlang over het woord 'schielijk' blijft verbazen en er zijn de voetballiefhebbers die het café-team soms vertegenwoordigen - net de echte wereld dus.

Dat klinkt allemaal heel genoeglijk, maar ik zit nog een beetje met die code. Want wanneer schend je die eigenlijk? Als je een stukje schrijft als dit? Of moet het dan op zijn Kroonenbergs? En zijn er eigenlijk nog meer kroegen die zulke codes koesteren? Sinds ik dit boek gelezen heb durf ik nauwelijks nog een café in, bang dat allerlei vrijmetselaarsloges me zullen aanstaren.

Gelukkig zijn er nu terrasjes.